dinsdag 23 juli 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 034
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  VARIA  >  BERICHTEN  >  2004
 >  031-040  >  034 

Uit:  Cijferrapport allochtone ouderen
Werkdocument 105 Sociaal en Cultureel Planbureau, werkdocument (maart 2004)

auteur: Roelof Schellingerhout

 

1. Omvang en samenstelling van de allochtone ouderenbevolking

1.3 Verdeling naar leeftijd en geslacht van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse ouderen
De allochtone ouderen vormen over het algemeen een jonge groep, vergeleken met de ouderenbevolking als geheel, zoals te zien is in tabel 1.4. Voor de ouderenbevolking als geheel geldt dat er meer 65+’ers zijn dan 55-64-jarigen, voor de allochtone groepen geldt het omgekeerde. De Surinaamse groep telt relatief gezien ten opzichte van de Turken, Marokkanen en Antillianen het grootste aantal 65+’ers. Het aandeel mannen en vrouwen bij allochtone ouderen wijkt eveneens af van de verdeling van de ouderenbevolking als geheel, zoals te zien is in tabel 1.4. Bij de 55- 64-jarigen in de ouderenbevolking als geheel zijn er even veel mannen als vrouwen. Bij de 65+’ers zijn de mannen in de minderheid, als gevolg van een lagere levensverwachting. Bij de Marokkanen is het aandeel mannen zowel bij de 55-64-jarigen als bij de 65+’ers groter dan het aandeel vrouwen. Een belangrijke reden is dat Marokkaanse oudere mannen vaak veel jongere partners hebben, die de leeftijd van 55 jaar of ouder nog niet hebben bereikt. Voorts is het zo dat bij de Marokkanen sprake is van onvolledige gezinshereniging: betrekkelijk veel Marokkaanse mannen hebben hun partner nooit laten overkomen. Deze factoren liggen ook ten grondslag aan het aandeel mannen en vrouwen bij de Turkse ouderen, met als verschil dat de gezinshereniging bij de Turken verder is voortgeschreden dan bij de Marokkanen en dat het leeftijdsverschil tussen oudere Turkse mannen en hun partners minder groot is (Dagevos, 2001). Bij de Surinamers en Antillianen valt met name het geringe aandeel mannen bij de 55-64-jarigen op. Waarschijnlijk moet dit worden toegeschreven aan een oververtegenwoordiging van vrouwen in dit cohort dat naar Nederland is gekomen en dat vrouwen in geringere mate dan mannen zijn teruggekeerd naar Suriname c.q. de Antillen.

2. Opleidingsniveau, arbeid en inkomen

2.5 Samenvatting
 Turkse en Marokkaanse ouderen zijn niet of zeer laag opgeleid (met name de vrouwen). Van de vrouwen heeft met merendeel niet in Nederland gewerkt. De mannen hebben met name gewerkt in elementaire of lagere beroepen en zijn vaak gestopt met werken wegens arbeidsongeschiktheid. Het inkomen van deze groepen ouderen is laag. De sociaal-economische positie van Surinaamse en Antilliaanse ouderen is beter: ze zijn hoger opgeleid, hebben gewerkt in beroepen met een hoger beroepsniveau en hebben ene hoger inkomen. De Molukse groep neemt een middenpositie in tussen de autochtonen (die de beste sociaal-economische positie hebben) enerzijds en de Surinamers en Antillianen anderzijds.

3. Terugkeergeneigdheid en pendelen

De Marokkaanse en Surinaamse ouderen blijven het liefst in Nederland, evenals de Molukkers. De Turkse ouderen zien het meest in een combinatie: zij willen deels in het land van het komst en deels in Nederland verblijven. Bij de Antillianen zijn de meningen meer verdeeld, maar de grootste groep wil in Nederland blijven. Omdat Turkse ouderen het liefst deels in het land van herkomst en deels in Nederland willen verblijven, zou men bij deze groep veel langdurige bezoeken aan het land van herkomst kunnen verwachten. Inderdaad hebben de Turkse ouderen relatief vaak het land van herkomst bezocht in 2002, het jaar voorafgaand aan het jaar van het onderzoek. De Marokkaanse ouderen zijn echter even vaak in 2002 lang in hun land van herkomst geweest en zijn, gerekend over een periode van 5 jaar, zelfs vaker lang in het land van herkomst geweest dan de Turkse ouderen. 9 Van de Surinaamse, Antilliaanse en Molukse ouderen is zo’n 80% de afgelopen 5 jaar niet voor een langere periode (ca. 3 maanden) in het land van herkomst geweest. Voor de Turkse, Marokkaanse en Surinaamse ouderen geldt dat de 65+’ers in 2002 vaker voor een langere periode in het land van herkomst zijn geweest dan de 55-64- jarigen.

4. Gezondheid en gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen

4.4 Samenvatting
Gemeten met drie (subjectieve) gezondheidsindicatoren is de gezondheidstoestand van Surinaamse, maar vooral van Turkse en Marokkaanse ouderen slechter dan die van Antillianen, Molukkers en autochtonen. Hier hangt een hoger bezoek aan de huisarts mee samen. Het is nog een onbeantwoorde vraag in hoeverre er ‘objectieve’ gezondheidsverschillen zijn tussen allochtone en autochtone ouderen.

5. Woonvoorzieningen

5.4 Samenvatting
Turkse, Marokkaanse en Molukse ouderen wonen minder vaak in een zelfstandige woning speciaal voor ouderen dan Surinamers, Antillianen en autochtonen. Het wonen in een verzorgingshuis komt onder de minderheden, met uitzondering van de Surinamers, nauwelijks voor. Autochtone ouderen gaan er van uit dat ze in een verzorgingshuis gaan wonen indien zij gedwongen zouden zijn om te verhuizen in verband met gezondheid. De meeste Surinaamse, Molukse en Antilliaanse ouderen gaan er ook vanuit in een verzorgingshuis te gaan wonen, hoewel deze verwachting minder uitgesproken is dan bij de autochtonen. Turkse en Marokkaanse ouderen zouden het liefst bij de kinderen in gaan wonen. De tweede keus voor de Turkse ouderen is het verzorgingshuis, voor de Marokkanen is het terugkeer naar het land van herkomst.

6. Thuiszorg

6.4 Samenvatting
 Autochtone en Surinaamse ouderen maken het meest gebruik van de thuiszorg, Turkse en Marokkaanse ouderen het minst. Voor zover er bij de Turkse ouderen sprake was van een hulpbehoefte, maakte men toch geen gebruik van de thuiszorg omdat men onbekend was met de thuiszorg of omdat de familie hulp gaf. Voor de Marokkaanse ouderen speelt in de eerste plaats mee dat er hulp werd gegeven door de familie en in de tweede plaats dat men niet wist hoe of waar thuiszorg aan te vragen.

7. Welzijnsvoorzieningen

7.5 Samenvatting
 Turkse en Marokkaanse ouderen maken weinig gebruik van het aanvullend vervoer, terwijl men wel moeite heeft met het gebruik van het ‘normale’ openbaar vervoer. Onbekendheid met deze voorziening lijkt hierbij een rol te spelen. Van maaltijdvoorzieningen wordt door geen van de verschillende minderheden veel gebruik gemaakt en de behoefte aan deze voorziening lijkt ook laag. Turkse en Marokkaanse ouderen zijn slecht bekend met de voorzieningen alarmering, dagopvang en ouderengym, bij de Marokkanen is tevens het gebruik van deze voorzieningen laag. Bekendheid en gebruik onder Turkse en Marokkaanse ouderen van het algemeen maatschappelijk werk en rechtshulp zijn veel groter dan voor de andere voorzieningen, hetgeen aangeeft dat deze groepen de Nederlandse instellingen weten te vinden wanneer zij die nodig hebben.