zondag 21 juli 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 059
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  VARIA  >  BERICHTEN  >  2003
 >  051 - 100  >  051 - 060  >  059 

Hedy d'Ancona: Het persoonlijke is politiek. Amsterdam/Antwerpen, Archipel, 2003. ISBN 90-6305-095-X. Prijs 16,95 euro.

Onafhankelijkheid van vrouwen begint niet met de gedegen opleiding, niet met de goede baan, het riante salaris of het maatschappelijk applaus. Het zijn comfortabele condities, meer niet. Echte onafhankelijkheid, die begint met de acceptatie van jezelf door jezelf.
Hedy d'Ancona, brief aan Hadassah, 1978


In Het persoonlijke is politiek vertelt Hedy d'Ancona op zeer persoonlijke wijze over de ontwikkelingen die zijzelf en de Vrouwenbeweging in de jaren zeventig doormaakten. Via haar maak je ook kennis met feministische en politieke kopstukken als Joke Kool-Smit, Ien Dales, Annemarie Grewel, Joop den Uyl en Ed van Thijn. Op haar welbekende scherpe, geestige, maar ook ontroerende en openhartige manier maakt ze duidelijk hoe het politieke en het persoonlijke met elkaar verbonden zijn in haar eigen leven.

Ze ontdekt aan den lijve dat persoonlijke ervaringen je visie op de samenleving kunnen gaan kleuren, dat je 'roots' doorslaggevend kunnen worden voor je politieke opvatting. Dat geldt in ieder geval voor haar eigen ontstaansgeschiedenis. Zo beschrijft d'Ancona hoe laat ze pas in haar leven inzicht kreeg in de door de oorlog dramatisch verlopen liefdesgeschiedenis tussen haar vader en moeder: het Persoonlijke werd Politiek!

Ten slotte laat ze zien hoe die slogan van weleer inmiddels lijkt te zijn omgedraaid. De uitstraling van politici, de vorm waarin hun boodschap is verpakt, lijken tot onderdeel van de entertainmentindustrie te worden. De Politiek wordt Persoonlijk!


Fragment

Het persoonlijk is politiek

April 1981. Mijn moeder lag dood te gaan in mijn huis. De kanker die haar velde had zich pas een halfjaar daarvoor gemanifesteerd. Ze was na een periode van buikpijnaanvallen, waarover ze buitengewoon luchtig deed, op een zondagavond met gierende sirene naar het ziekenhuis gereden. Aan ht einde van diezelfde week zaten we rond haar bed om van de arts het definitieve vonnis te vernemen en haar weigering om dat via chemokuur of bestraling nog even uit te stellen. In de maanden die volgden wierp ze zich op een afgrijselijk dieet dat haar bij tijd en wijlen kolieken bezorgde. Tot het moment dat ze helemaal niets meer at. Elk slokje water kotste ze na enkele minuten in meervoud uit. Op 12 april, haar vijfenzestigste verjaardag, reden we haar vanuit haar huis in Leiden naar Amsterdam. Ze dronk met ons een slokje wijn en beklom met haar inmiddels fragiele lijf de trappen naar het bed dat ze niet meer zou verlaten tot aan de dag van haar dood op 4 mei. Mijn moeder onderging haar ziekte op dezelfde heldhaftige manier als alle voorafgaande dreunen in haar bestaan; zonder een moment van zelfbeklag.

Naast de aandacht voor mijn moeder, mijn werk voor het onderzoeksbureau Cebeon waaraan Maurice de Hond en ik in die tid leidinggaven en de kinderen, die ook tussen de middag van school naar huis en v.v. moesten worden gebracht – ‘Overblijven is allen mogelijk in uiterste noodzaak’, stond er in het briefje van ht schoolhoofd – schreef ik aan de speech voor de abortuswet die in de Eerste Kamer behandeld moest worden. Ik deed daar sinds 1974 Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, maar de aangewezen woordvoerders Van den Bergh voor Jutitie en Brongersma voor Volksgezondheid hadden deze specifieke taak aan mij gedelegeerd vanwege mijn jarenlange feministische bemoeienis met dat onderwerp. Ondenkbaar dat een dergelijke loyaliteit je aan de overkant van het Binnenhof, in de Tweede-Kamerfractie zou overkomen. Al helemaal niet bij een onderwerp dat zó in de publieke belangstelling stond. Maar deze beide heren gunden mij niet alleen het onderwerp, ze boden ook steun door mij te voorzien van feiten en opvattingen die ze erover vergaard hadden.

Naast het bed van mijn moeder zat ik tussen stapels artikelen, Handelingen van de Tweede Kamer en aantekeningen over de besprekingen in mijn fractie. Legalisering van abortus, het leek binnen handbereik. Dat wil zeggen, voor mezelf en dát deel van de vrouwenbeweging dat voorlopig genoegen nam met een ‘half ei’. Want het voorstel dat door de Eerste Kamer behandeld moest worden en dat kort daarvoor, met slechts twee stemmen verschil, de Tweede Kamer passeerde voldeed niet aan de criteria van Wij Vrouwen Eisen, de actiegroep die jarenlang het verzet mobiliseerde tegen de bestaande abortuswetgeving. Ik had in de demonstraties meegelopen, via Opzij de standpunten verdedigd, ervoor gelobbyd bij de politici. Vanzelfsprekend vond ik dat abortus uit het wetboek van strafrecht verwijderd moest worden, dat het in het ziekenfondspakket thuishoorde en dat de vrouw de enige was die kon en mocht beslissen of zij haar zwangerschap al dan niet wilde voortzetten. Het voorliggende wetsontwerp voldeed niet aan dat laatste criterium; het was niet de vrouw zélf, maar een team van deskundigen om haar heen dat de uiteindelijke beslissing moest nemen. Maar het binnenhalen van de legalisering vond ik doorslaggevend en gezien de stemverhouding in de Tweede Kamer vonden onze tegenstanders dat ook. Het radicalere deel van de vrouwenbeweging dacht daar dus anders over. Via de Vrouwenkrant werd een oproep gedaan voor een vrouwensraking. Dat lukte niet. Wél om op 28 april, de dag dat de Eerste kamer haar oordeel zou geven, een aanzienlijk aantal vrouwen naar het Binnenhof te krijgen, zodat ik in mijn kamerbankje mijn luidkeels protesterende zusters buiten kon horen.

Mijn moeder, progressief en links, was fel gekant tegen abortus. De keren dat we het erover hadden, kwamen we nooit veel verder dan haar: ‘Jullie schieten gewoon dóór op een aantal punten. Ik heb echt geen zin op al jouw argumenten te reageren. Ik vind gewoon wat ik vind!’ Wat volgde was mijn woede over die irrationele opstelling en mijn irritatie over haar opeengeknepen lippen of nóg erger de gemaakte opgewektheid waarmee ze dan plots een heel ander onderwerp aansneed.

Maar op de bewuste dinsdat dat ik in de Eerste Kamer het onderwerp zou behandelen, vroeg mijn moeder om een radio naast haar bed. Ze wilde het debat volgen. En toen ik ‘s avonds laat verslagen thuiskwam, zei ze hoe goed ze me vond en waar dat mens – Haya van Someren van de VVD – de brutaliteit vandaan had gehaald om door haar tegenstem het voorstel te laten sneuvelen.

‘Het persoonlijke is politiek.’ De slogan kwam begin jaren zeventig overgewaaid uit de Verenigde Staten en werd door de vrouwenbeweging hier meteen omhelsd. De meeste van onze wensen en eisen die uiteindelijk allemaal draaiden om de persoonlijke keuzevrijheid van vrouwen, konden immers alleen worden gerealiseerd als de politiek de daartoe noodzakelijke voorwaarden creëerde. Wat viel er te kiezen als je, zoals veel van mijn vriendinnen, ongewenst zwanger werd op je twee- of drieëntwintigste? Helemaal niks! Gewoon trouwen, je studie afbreken, je fulltime aan het moederschap wijden opdat je partner zo snel mogelijk on afstuderen en dan maar hopen dat je de draad weer op kon pakken als je jongste kind naar de middelbare school ging. Want dat was toch wel minimaal de periode dat kinderen de constante aandacht van hun moeder nodig hadden. Althans, dat vonden de ‘deskundigen’. En omdat zo’n eerste zwangerschap meestal wel door een paar andere gevolgd werd, betekende dat voor vrouwen een onderbreking van hun opleiding of beroepscarrière van tenminsten tien of vijftien jaar. Het plannen van je leven werd voor vrouwen gebarricadeerd door het ontbreken van adequate voorbehoedsmiddelen en legale abortus, van kinderopvang, deeltijdwerk of tweedekansonderwijs. Allemaal zaken, die je niet even samen met je partner aan de keukentafel regelt maar waarvoor politieke beslissingen nodig zijn.

Tegen mijn dochter en haar vriendinnen, die ongetwijfeld zullen vinden dat ik nu doordraaf en zullen roepen dat je toch niet altijd tegen je zin zwanger hoefde te raken omdat er toch wel iets was wat je daartegen kon doen, zou ik willen zeggen: ‘Luister goed dames, ik zal jullie vertellen hoe dat meestal in z’n werk ging. We gaan dus voor het gemak maar even uit van redelijk verstandige en zelfstandige vrouwen. Zoiets als jullie zelf zijn. Niet te veel vertrouwen dus in condooms, die toevallig niet voorhanden zijn op het moment dat de begeerte toeslaat of scheuren op het moment suprême. Nee, op tijd naar het plaatselijk filiaal van de NVSH. Aan de dienstdoende zuster uitleggen dat je al een tijdje verkering hebt en zin hebt om met zo’n heer naar bed te gaan. Geen nood, want die schat deed dan alsof dat heel gewoon was en voorzag je van een pessarium, een tube zaaddodende pasta en een rubberen zak met een slang eraan. En ze instrueerde je: “Vlak voor de penetratie, het bed verlaten. Het halve bolletje, juist ja, het pessarium, insmeren met de pasta. Het geval samenknijpen, ik doe het u even voor, en vervolgens diep in de vagina aanbrengen waarna u het los kunt laten. De volgende ochtend vult u de rubberen zak met een mengsel van lauw water en azijn. Ja, nee, gewone keukenazijn is voldoende. U brengt het uiteinde van de slang in de vagina, opent het kleine zwarte kraantje dat u hier aan de slang bevestigd ziet en u spoelt alle zaadjes van de voorafgaande nacht weg. Daarna haatl u het pessarium uit de vagina, spoelt hem even af onder de krant, droogt hem en legt hem weer in het doosje. Het is aan te bevelen er na dit alles wat talkpoeder op te strooien, dat draagt bij tot de houdbaarheid.” Zo ging dat dus. Kunnen jullie je misschien voorstellen dat je die uitrusting niet standaard met je meedroeg als je naar de bioscoop ging of naar een feest? Dat je niet in de weer ging met die potsierlijke zak in en gedeelde studentenkeuken of –badkamer? En daar kwamen dan de kindertjes van.’

Meer informatie over Hedy d'Ancona