maandag 21 oktober 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 Mineke Bosch
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  FOCUS  >  GENDERMAINSTREAMING  >  COMMENTAREN EN ...
 >  MINEKE BOSCH 
Mineke Bosch | Reactie op de tussenrapportages VCE (december 2005)
en de reacties van kabinet en vakministers (februari 2006)

Dit artikel maakt deel uit van een rubriek over gender mainstreaming in het beleid van de rijksoverheid.
Zie de openingspagina van deze rubriek.



INDERDAAD, HET MOET ECHT BETER !
Reactie van een ervaringsdeskundige uit de praktijk van gender mainstreaming

 

 

door Mineke Bosch, universitair hoofddocent, verbonden
aan het Centrum voor Gender en Diversiteit (Universiteit Maastricht)

 

Gendermainstreaming: de voorspelde grote verwijntruc
De sceptici die gender mainstreaming vanaf het begin met gemengde gevoelens hebben begroet, worden met het VCE-tussenrapport Dat moet echt beter op hun wenken bediend. Het rapport bevestigt alle zwarte vermoedens die er al waren. Gender mainstreaming fungeert binnen het overheidsbeleid als de voorspelde grote verdwijntruc. Er is sprake van window-dressing. Van algeheel onbegrip. Van opheffing van aparte ondersteunings­structuren, en van de daarbij behorende budgetten. Ofwel: gender mainstreaming betekent eerder verslapping van aandacht voor vrouwen/mannen en gender, dan een stap voorwaarts in de mars door de instituties.
Ook wie met een zeker onvermoeibaar optimisme gender-mainstreaming heeft omarmd - in een poging om op een pragmatische, doelgerichte en zakelijke manier te komen tot een genderbewustere wereld met meer gelijkheid van kansen en mogelijkheden – vindt in het rapport veel vertrouwds. De ervaring die ik inmiddels met gender mainstreaming heb opgedaan heeft mij geleerd, dat het een complex proces is, to put it mildly.

VCE moest opnieuw een ondersteuningsstructuur creëren
Enkele jaren geleden was op alle ministeries vaak nog sprake van een - weliswaar gemarginaliseerd, maar toch reëel - aanspreekpunt voor emancipatiebeleid: ICE-leden, een werkgroep of stuurgroep. Maar nu zien we de VCE druk doende haar eigen ondersteuningsstructuur te creëren, om althans enige informatie te kunnen verzamelen.
Slechts vier ministeries reageerden op een expliciet verzoek om een contactpersoon aan te wijzen. Diverse leden van de Interdepartementale Commissie Emancipatie (ICE) bleken zichzelf slechts als ‘pro forma’ lid te beschouwen. VWS werkte überhaupt niet mee. De minister van Defensie weigerde zelfs om de VCE te woord te staan.
De VCE bestempelde in die gevallen het organiseren van de visitatie - met name de inhoudelijke workshops-  als ‘bijzonder moeizaam’. Het zijn helaas herkenbare verschijnselen.

Veel knelpunten
Nog steeds worden, blijkens de Tussenrapportage, specifieke maatregelen teniet gedaan door algemeen beleid. Terwijl gender mainstreaming dat nu juist bedoelt te voorkomen! Ook wordt beleid dat genderbewust is ingezet, uiteindelijk nogal eens ingehaald door politieke prioriteiten (SZW). Aandacht voor ‘diversiteit’ = mannelijke (en vrouwelijke) allochtonen, en aandacht voor ‘gender’ = autochtone (en allochtone) vrouwen, blijken elkaar nogal eens in de weg te zitten. Er blijkt in het algemeen te weinig kennis over mogelijke gendereffecten van beleid of überhaupt over gender. Nogal wat departementen verwarren gender mainstreaming met decentralisatie van het emancipatiebeleid, met daaraan gepaard het doorsluizen van verder ongeoormerkte emancipatiegelden. Hier wreekt zich, aldus de VCE, naast het wegvallen van de DCE als centraal aanspreekpunt ook het ontbreken van inhoudelijke expertise of een kenniscentrum binnen de rijksoverheid.
Voor de verschillende ministeries lopen de slotkwalificaties uiteen van ‘hier valt nog een wereld te winnen’, via ‘de commissie betreurt’, tot ‘Het emancipatiebeleid … stelt dan ook teleur.’
Wie dat alles leest stemt hartgrondig in met de conclusie dat sprake is van een ‘zorgelijke situatie’ die ‘beter moet’.

Reacties van het kabinet en de vakministers: een ‘welles-nietes spel’
De reacties van de verschillende ministeries aan de Tweede Kamer bevestigen intussen grotendeels het zorgelijke geluid van de Commissie. Ze variëren van arrogante en botte ontkenning (Hoogervorst), boze weerlegging (Brinkhorst), het opkloppen van de schaarse positieve opmerkingen (Bot en Kamp) tot constructieve dialoog (Van der Hoeven). Vaak is sprake van een mengeling van verschillende intenties. Maar de indruk die overblijft is die van een ‘welles-nietes’ spel.
Als relatieve buitenstaander vraag ik mij dan toch wel af:  wáárom hebben de ministers al hetgeen zij nu in stelling brengen om te laten zien dat de Visitatiecommissie ongelijk heeft, niet eerder aan die Commissie duidelijk kunnen maken?!

Toch vraag: wát moet er nu precies beter?
Niettemin wil ik toch een enkele kanttekening plaatsen bij de analyse van de Commissie. Het betreft hier vooral de afbakening van het probleem en de werkwijze van de VCE.
In de opdracht van de VCE, en ook in de brief die de VCE zelf schrijft ter aanbieding van haar tussenrapportages, staat als taak centraal: ‘het volgen, beoordelen en stimuleren van de voortgang van het proces van gender mainstreaming’.
De VCE maakt uitdrukkelijk een onderscheid tussen ‘het specifieke emancipatiebeleid als zodanig’ en ‘gender mainstreaming’, en stelt dat alleen gendermainstreaming object van analyse was. In de uitwerking wordt echter toch niet goed helder wat wat is. Vaak wordt in een adem gesproken over emancipatiebeleid en gendermainstreaming. Maar wat wordt met dat onderscheid nu precies bedoeld?
‘Specifiek emancipatiebeleid als zodanig’ verwijst natuurlijk naar ‘specifiek op vrouwen gericht beleid’. Dat wordt gelijk gesteld aan (ouderwets) emancipatiebeleid, dat bestond bij de gratie van aparte projecten, gefinancierd uit aparte geldstromen met aparte ondersteuningsstructuren.
Bij gendermainstreaming, zo wordt veelvuldig door allerlei actoren naar voren gebracht, gaat het juist niet meer om apart beleid. Het gaat dan om het integreren van ‘het man/vrouw perspectief’ in bestaande beleidsprocessen.
Maar wat betekent dat nu precies? De VCE hamert er steeds op, dat het formuleren van heldere emancipatiedoelstellingen een conditio sine qua non is van gender mainstreaming. Maar in de conclusies gaat het nu eens over ‘het emancipatiebeleid’, dan weer over de gender mainstreaming van het departementale beleid.
Daardoor komen we er uiteindelijk niet goed achter wát er nu eigenlijk precies beter moet: het overkoepelende emancipatiebeleid van een ministerie – de voornemens en visie op emancipatie die voor een groot deel afhankelijk zijn van politieke wil –, of juist de implementatie daarvan door middel van mainstreaming. Dat laatste vraagt vooral – bij alle politieke wil – kennis over gender, en commitment daaraan in alle delen van de organisatie.
Wellicht had het rapport aan helderheid gewonnen, wanneer was gesproken over een analyse van het emancipatiebeleid van de rijksoverheid na de introductie van (en met specifieke aandacht voor) het beleidsinstrument van gender mainstreaming. Het was dan wellicht ook duidelijker geworden dat ‘emancipatie’ het doel is, en ‘gender mainstreaming’ het middel.
Hoe dan ook: er had meer ruimte kunnen worden ingeruimd voor een bespreking van de gehanteerde terminologie.

‘Volgen en stimuleren’ versus ‘beoordelen’
Iets anders is, dat het ‘volgen en stimuleren’ van het proces mijns inziens ‘het beoordelen’ enigszins in de weg heeft gezeten.
Als de activerende werkwijze tot nieuwe emancipatie-initatieven heeft geleid, is dat natuurlijk positief te noemen. Maar is dat de evaluatie wel ten goede gekomen? Wellicht had een wat systematischer (of bureaumatiger) aanpak van de gekozen beleidsthema’s en bijbehorende beleidsdocumenten de beoordeling ten goede kunnen komen. Dan hadden de aanbevelingen wellicht ook puntiger en inhoudelijker kunnen zijn.
Hebben de ervaringen met de weerbarstige te onderzoeken werkvloer het beoordelen van goede (deel)praktijken wellicht te veel overschaduwd?

Voorbeeld: onderzoek en wetenschap (OCW)
Mij is dit vooral opgevallen waar het ging om de analyse van het beleid met betrekking tot onderzoek en wetenschap, het domein van OCW. Daar weet ik nu eenmaal het meeste van af.
De VCE wijst enerzijds diverse keren met waardering op enkele (tijdelijke) stimuleringsprogramma’s: Aspasia, Mozaïek en Vernieuwingsimpuls (die overigens niet steeds geheel juist worden weergegeven). Ook duidt ze het feit positief dat de minister in haar recente nota ‘Onderzoektalent op waarde geschat’ uitdrukkelijk haar verantwoordelijkheid neemt voor de bevordering van in- en doorstroom van vrouwen bij de instellingen van onderzoek en wetenschap. Maar in haar eindoordeel stelt de VCE toch, dat het emancipatiebeleid van de minister teleurstelt. Als oorzaak wijst ze vooral op de al eerder genoemde decentralisatie van taken naar het veld.
Aanvankelijk dacht ik de commissie geheel gelijk te kunnen geven, vooral op het punt van decentralisatie zonder contract compliance of prestatieafspraken. Ik las er de zoveelste herhaling in van de conclusie die al in 1989 (!) in een evaluatie van het emancipatiebeleid van OCW werd getrokken: het ministerie achtte zich - bij alle goede voornemens op het gebied van emancipatie - wegens het nieuwe ‘eigenmeesterschap’ van de universitaire instellingen ontslagen van verdere verplichtingen die voornemens ook te monitoren.
Het is ook nog niet zo lang geleden dat wij zelf tevergeefs pogingen deden om genderaspecten geïntegreerd te krijgen in de criteria van de nieuwe accreditatieprocedures voor bachelor en master-opleidingen. Of in visitaties van onderwijs en onderzoek. Dat zouden machtige middelen kunnen zijn om de genderdimensie van onderwijs en onderzoek te kunnen bewaken of zelfs te bevorderen. Wellicht zou het daarmee kunnen lukken genderstudies op de kaart te houden!

Decentralisatie: niet per definitie slecht
Maar toch klopt er mijns inziens iets niet in het eindoordeel. Want in de afgelopen jaren is er in de wereld van onderzoek en wetenschap toch echt iets aan het verschuiven, en het ministerie heeft daar zeker de hand in gehad. En juist het Aspasia-programma is hierin het scharnierpunt geweest! Aspasia - als een voorbeeldig stimuleringsprogramma – kan verantwoordelijk worden geacht voor een zichtbare en significante toename van het aantal vrouwelijke UHD’s in Nederland. Er zaten en zitten bovendien allerlei mainstream-aspecten en -effecten aan dit programma, die structureel iets in het landschap van onderzoek en wetenschap hebben veranderd.
In de eerste plaats: niet OCW maar juist NWO is de uitvoerder van het Aspasia-programma. NWO had medewerking nodig van alle universiteiten, en kreeg die ook. Mede door die samenwerking tussen ministerie, NWO en universiteiten werden in de eerste ronde niet slechts 15, maar in totaal 68 vrouwen bevorderd van UD naar UHD. Ten tweede: Het programma is zorgvuldig opgezet, en hield bijvoorbeeld rekening met weerstanden, en met negatieve effecten van ‘aparte behandeling’. Derde punt: het programma is goed gemonitord en geëvalueerd, met steeds ook ruime aandacht voor de vraag hoe deze stimuleringsmaatregel kon worden gemainstreamd.
En als vierde belangrijke punt: dit programma leidde tot een ‘vrouwencomponent’ in de Vernieuwingsimpuls (een programma voor persoonsgebonden VENI, VIDI en VICI onderzoekssubsidies). Die geeft – bij gelijke beoordeling ­– een relatief voordeel aan vrouwelijke indieners van een aanvraag. Universiteiten zijn van dit alles goed op de hoogte, en doen er vaak van alles aan om vrouwelijke onderzoekers te stimuleren.

Ook nieuwe plannen: streefcijfers en prestatie-afspraken
Gegeven dit succes ben ik ook geneigd de recente nota Onderzoekspotentieel naar waarde geschat? veel meer gewicht te geven. Hierin wordt op diverse plaatsen prominent gewezen op het onbenutte potentieel van vrouwen (en allochtonen). De minister heeft een ambitieus streefcijfer geformuleerd van 15% vrouwelijke hoogleraren in 2010  - overigens nog altijd 10% minder ambitieus dan de Lissabon-afspraken - . Ze heeft daarnaast ook aangekondigd, prestatieafspraken te maken met de instellingen om meer vrouwen in hoge wetenschappelijke en bestuurlijke posities te benoemen. Om mij heen zie ik universiteiten hierop anticiperen, met fellowships of tenure tracks voor jong vrouwelijk talent (Groningen en Eindhoven) talent, speciale Diemer-Lindeboomleerstoelen (VU) en zelfs een programma voor de benoeming vrouwelijke UHD’s tot hoogleraar (aan de UM). Dat is toch een enorme stap vooruit!

Positiever oordeel
Kortom, juist wanneer ik op het terrein van onderzoek en wetenschap dit centrale aspect van het emancipatiebeleid in ogenschouw neem  - meer vrouwen op hogere functies -, kom ik tot een ander, en veel positiever oordeel dan de Commissie.
Daarentegen mis ik weer een uitspraak van de VCE over het ontbreken van een genderdimensie in zoiets als de accreditatieprocedures die bepalend zijn voor het gehele veld van hoger-onderwijs. Daardoor ontneemt de commissie zich de kans iets over de (gender)inhoud van onderwijs en onderzoek cq genderstudies te zeggen. Ik begrijp niet goed waarom de VCE dit belangrijk aspect van het OCW-beleid er in de afgelopen periode niet bij betrokken heeft!

Tot slot: meer aandacht voor de Europese beleidscontext van mainstreaming!
Het rapport van de VCE overtuigt op heel veel punten. Ik heb veel waardering en respect voor het vele en taaie werk dat zij heeft verzet in een tijd waarin de politieke wil niet altijd even duidelijk aanwezig was. Ik kan het niet laten om nog eens te herinneren aan de fameuze toespraak van verantwoordelijk bewindspersoon De Geus bij de feestelijke viering van 25 jaar emancipatiebeleid: hij opperde toen dat de emancipatie nu wel af was. Die uitspraak heeft veel schade aangericht. 
Wij weten hoe belangrijk het commitment is van de top. De diepe politieke malaise heeft zeker ook zijn sporen nagelaten op een terrein als emancipatie. Alleen al het ‘nee’ tegen Europa is voor veel doorgewinterde feministen en emancipatiedeskundigen hard aangekomen: hoeveel zegeningen op het gebied van emancipatie komen niet rechtstreeks uit Brussel?
Dat brengt mij op een laatste punt. In de rapportage mis ik de Europese beleidscontext, en zeker de Europese omarming van gender mainstreaming, in alle preambules van het tussenrapport. Bij onze oosterburen wordt de Operatie Gender Mainstreaming van het nationale overheidsbeleid direct afgeleid uit het Verdrag van Maastricht, waar met name artikel 13 het ‘mainstream-artikel’ heet te zijn.
Zou het niet helpen om dit Europese wettelijke kader veel nadrukkelijker te gebruiken om een sense of urgency te creëren? En het de regering (elke regering) zo mogelijk te maken om via een succesvolle implementatie van gender mainstreaming het sociale gezicht van Europa te laten zien?!