dinsdag 23 juli 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 14
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  FOCUS  >  DISCUSSIES  >  MAG AART JAN HE...
 >  BIJDRAGEN 11 - 20  >  14 

Ingrid Robeyns
post-doctoraal onderzoeker UvA-politicologie


Emancipatie is verre van voltooid

Minister De Geus heeft naar aanleiding van 25 jaar emancipatiebeleid een aantal sterke uitspraken gedaan: “kinderopvang is in de samenleving van vandaag heel vanzelfsprekend”, “de aanwezigheid van (autochtone) vrouwen is op vrijwel alle plekken in de samenleving nagenoeg vanzelfsprekend”, en het emancipatieproces is niet te stoppen: “vrouwen zullen meer gaan werken en ze zullen aan de top komen.” Deze uitspraken over de voltooiing van de emancipatie van de autochtone vrouwen getuigen van weinig dossierkennis en onverantwoord optimisme. De Geus doet deze uitspraken om ze te contrasteren met de situatie van de allochtone vrouwen, want daar is volgens hem nog veel werk aan de winkel. De minister stelt voor om in de volgende regeerperiode de portefeuille voor emancipatiezaken op te doeken, en de problemen van allochtone vrouwen via een integrale aanpak over het hele kabinet te verspreiden.

Dat de minister de aandacht wil vestigen op de maatschappelijke positie van allochtone vrouwen, is op zichzelf lovenswaardig. Maar de Geus doet dit door een scherp contrast te maken met de zogenaamd uitstekende positie van de autochtone vrouwen. Helaas is de positie van de autochtone vrouw helemaal niet zo rooskleurig dan de Geus denkt. En dat had hij kunnen weten als hij de vele wetenschappelijke studies die daar over verschenen zijn had gelezen, zoals bijvoorbeeld de Emancipatiemonitor 2002 van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hier een paar feiten en bedenkingen op een rijtje.

Ten eerste is kinderopvang in Nederland helemaal geen vanzelfsprekendheid. Kinderopvang is peperduur, slecht georganiseerd, en wordt onvoldoende gesubsidieerd. Volgens de Emancipatiemonitor 2002 zijn er voor elke 100 kinderen tot 4 jaar 9 (negen!) plaatsen in een kinderdagverblijf. Het zou niet slecht zijn om het hele systeem van marktwerking en verdeling van lasten tussen werkgevers, werknemers en ouders eens grondig ter discussie stellen. Waarom sturen we niet eens een commissie naar België om te kijken hoe het daar geregeld is, want daar hebben jonge ouders geen problemen om kinderopvang te regelen, is er keuze tussen verschillende vormen (in crèches of bij onthaalmoeders thuis) en kunnen de peuters vanaf tweeënhalf al naar de peuterschool. Bovendien loopt de financiering niet via de werkgevers maar via een belastingsaftrek, wat tot veel minder complicaties leidt en waardoor de financiering voor iedereen gelijk is, dus ook voor zelfstandigen en werknemers zonder CAO. Het logische gevolg is dat bij onze zuiderburen vrouwen aanzienlijk meer uren werken op de arbeidsmarkt, en bijgevolg vaker financieel zelfstandig zijn.
Verder rept de Geus met geen woord over een andere hindernis die moeders weerhoudt om zich op de arbeidsmarkt te ontplooien: de dure en ontoereikende tussenschoolse en naschoolse opvang, en de regelmaat van uitgevallen schooldagen. De Emancipatiemonitor 2002 bericht over 2 (twee!) plaatsen in de buitenschoolse kinderopvang per 100 basisschoolkinderen. Opnieuw kan België hier als gidsland dienen: daar was tussen- en naschoolse opvang al meer dan een kwarteeuw geleden een vanzelfsprekendheid.

Ten tweede denkt de Geus dat gelijke onderwijsdeelname automatisch zal leiden tot gelijke arbeidskansen. Een dergelijke simplistische visie onderschat een aantal hardnekkige obstakels die vrouwen op hun weg tegen komen. Elk jaar worden er wetenschappelijke studies gepubliceerd die aantonen dat vrouwen gediscrimineerd worden in selectie en promotie, vaak zonder dat iemand die intentie had. Ons denk- en oordeelkader is nu eenmaal doordrongen met genderstereotypen: vrouwen worden onbewust gediscrimineerd in situaties die als cultureel ‘mannelijk’ worden ervaren (en dat geldt dus voor de meeste banen), en mannen worden gediscrimineerd in situaties die als cultureel ‘vrouwelijk’ worden ervaren, bijvoorbeeld in de kinderopvang. Bovendien worden ‘vrouwenberoepen’ nog steeds aanzienlijk slechter betaald dan ‘mannenberoepen’, óók als zij gelijkaardige kwalificaties vereisen, en daar doen de overheid en de sociale partners helemaal niets aan.

Ten derde onderschat de Geus het belang van een meer gelijke verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid, en het feit dat zich daar nauwelijks een doorbraak aftekent. Vrouwen kunnen enkel meer betaalde arbeid verrichten als hun mannen meer onbetaalde arbeid op zich nemen – en daar is in de statistieken nauwelijks iets van te bespeuren. Uit studies blijkt dat het voor vele vrouwen een moeilijke strijd is om hun mannen te overtuigen een groter deel van de huishoudelijke taken op zich te nemen. Om eeuwigdurende ruzies te vermijden wordt er dan een compromis gezocht, maar die compromissen leiden bijna altijd tot een zwaardere belasting voor vrouwen, waardoor ze minder tijd, flexibiliteit en energie over hebben om een voltijdse baan te nemen. De Emancipatiemonitor 2002 leidt uit de statistieken af dat tussen 1995 en 2000 mannen niet meer onbetaalde arbeid zijn gaan verrichten. De groeiende zorg die er de komende decennia voor ouderen nodig zal zijn, samen met de ontoereikende voorzieningen voor zorgbehoevende ouderen, beloven bovendien niet veel goeds voor de tijd die vrouwen in de toekomst voor zichzelf en voor betaalde arbeid zullen hebben.

Er is nog veel werk aan de winkel, en het is zorgwekkend dat de bevoegde minister gelooft dat autochtone mannen en vrouwen nu toch wel gelijke kansen hebben en ze alleen maar moeten benutten. Het voorstel van de Geus om de portefeuille emancipatie af te schaffen lijkt me dan ook zeer voorbarig, want zoals de Emancipatiemonitor 2002 besluit: “Voor een deel moet dit beleid zijn waarde nog bewijzen, maar gezien de weerbarstigheid van de sekseongelijkheid en het hardnekkige karakter van het kostwinnersmodel dat nog altijd zijn sporen nalaat, zullen verdere inspanningen nodig blijven.”

18 november 2003
i.robeyns <at> uva.nl
http://www.ingridrobeyns.nl