dinsdag 15 oktober 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 Trees Pels
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  FOCUS  >  BELEIDSPLAN 200...  >  TREES PELS 
MEERJARENBELEIDSPLAN EMANCIPATIE 2006-2010

Dit artikel maakt deel uit van een rubriek over het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006-2010.
Zie de openingspagina van deze rubriek.



Emancipatie is níet vanzelfsprekend !

door Trees Pels, thema-coördinator
multiculturele vraagstukken bij het Verwey-Jonker Instituut

 

 

‘Al gaat het niet vanzelf en is het nog niet af, emancipatie is in Nederland inmiddels vanzelfsprekend, aldus het nieuwe Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006 – 2010.
Als een mantra wordt de vanzelfsprekendheid van emancipatie in de tekst herhaald, alsof de lezer van de waarheid ervan moet worden overtuigd. Maar dat verraadt dat emancipatie in de praktijk helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Anders gezegd: het Beleidsplan haalt wenselijkheid en werkelijkheid door elkaar.

Economische onafhankelijkheid staat haaks op rol van ‘direk’
Het emancipatiebeleid is sterk gericht op stimulering van de arbeidsparticipatie van vrouwen en hun economische onafhankelijkheid. Het thema ‘zorg’, en de verdeling van zorg in het gezin krijgt voornamelijk aandacht als middel om vrouwenemancipatie te bevorderen.
Maar hoe reeëel is dit beleid vanuit de optiek van de betrokkenen?
En: hoe effectief kan zo’n beleid zijn voor het halen van de wel zeer ambiteuze streefcijfers die het kabinet heeft geformuleerd?

‘Een vrouw is niet alleen! Als háár wereld niet meedraait heb je niets aan je emancipatiebeleid’, zei een Turkse moeder tegen een collega van mij.

In het Turks wordt de vrouw de direk (steunpilaar) van het gezin genoemd. De functie van moeder en direk blijft zowel voor oudere als voor jongere nieuwe Nederlanders dé bouwsteen van de identiteit. Ook de opvatting dat moeders beter zijn in zorg en opvoeding dan vaders speelt mee. Het werk in het gezin vormt van oudsher de basis van hun macht. Zij geven de regie hierover niet graag uit handen.

Vergis je niet: de dominantie van het ‘anderhalfverdienersmodel’ laat zien dat ook de doorsnee Nederlander niet wil dat het gezin de dupe wordt van buitenshuis werken door vrouwen. Persoonlijke zorg voor de kinderen geldt als een hoog goed. Ook Nederlandse moeders hechten aan hun regierol. Nederland was altijd al een ‘moederland’, en wordt door vrouwen die van elders kwamen sterk in die identiteit bevestigd.

De eis van economische zelfstandigheid staat hier haaks op: vrouwen moeten dan zoveel betaalde uren maken dat zorg thuis in het gedrang komt. Er zijn gelukkigen die zelf hun werktijd kunnen indelen, en daardoor de zorg gemakkelijker met arbeid kunnen combineren. Het is dan ook goed dat de overheid, blijkens de nota, vrouwelijk ondernemerschap óók onder nieuwe Nederlanders wil stimuleren. Het eigen baas zijn wint onder allochtone vrouwen niet voor niets aan populariteit.

Ook een grotere bijdrage van mannen aan de zorg zou uiteraard een belangrijke steun in de rug zijn voor werkende moeders. Het is daarom verbazend dat de nota maar zo mondjesmaat aandacht besteedt aan de stagnatie in de emancipatie van de man, in diens aandeel in de zorgverantwoordelijkheid.

Een vrouw is (on)vrijer dan een man
Emancipatie veronderstelt keuzevrijheid: vrijheid om het eigen levensplan te bepalen.
In het publieke en politieke debat over allochtone vrouwen wordt keer op keer op het ontbreken van deze vrijheid, met name bij moslimvrouwen, getamboereerd. Hun isolement, hun ondergeschiktheid aan de man zijn een bron van zorg.

Ook het Beleidpslan schetst niet-werkende, niet-uitkeringsgerechtigde vrouwen - de fulltime huisvrouwen dus - uitsluitend in negatieve termen, namelijk in hun afhankelijkheid van een kostwinner. Het legt uitdrukkelijk een verband tussen (maatschappelijke) participatie enerzijds en opheffing van deze misstanden anderzijds: ‘meedoen’ en een ‘eigen inkomen’ moeten het zelfvertrouwen en de onderhandelingspositie van vrouwen verstevigen.
Deze associatie is op zijn minst eenzijdig, zo niet misleidend. Want het niet of slechts in een klein baantje werken kan ook positief worden opgevat: als een voordeel van die vrouw op de man, die immers de zware verantwoordelijkheid van het kostwinnerschap op zijn schouders draagt. Ik zou de autochtone Nederlanders niet de kost willen geven die er zo over denken. En onder allochtone vrouwen is zo’n visie zeker niet minder ongewoon.

Overheid stelt collectief boven individueel belang
Het emancipatiebeleid kan een belangrijke rol spelen in het steunen van vrouwen in het verkrijgen van meer keuzevrijheid en ontplooiingsmogelijkheden buitenshuis. Maar een beleid gericht op economische zelfstandigheid van vrouwen moet niet pretenderen dat het alle behoeften van alle vrouwen dient.
De eis van economische zelfstandigheid dient trouwens bepaald niet alleen de individuele belangen. Juist het maatschappelijk belang – vrouwen zijn nodig als arbeidskrachten om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen – staat voorop.

Het zou goed zijn als de overheid dit volmondig erkent, en niet verhult dat het collectieve belang meebrengt dat vrouwen de last van het kostwinnerschap mee zullen moeten dragen, of ze willen of niet. In een tijdperk waarin ‘zeggen waar het op staat’ de omgangscultuur domineert zou het de overheid niet misstaan om zelf helder te zijn in haar (communicatie van het) beleid.

Emancipatiebeleid versus integratiebeleid?
Centrale doelstelling in het Beleidsplan is de bevordering van maatschappelijke participatie van vrouwen, in de eerste plaats door middel van een betaalde baan, of anders - als dit (nog) niet haalbaar is - op andere activiteiten buitenshuis, zoals vrijwilligerswerk.
De parallel met het integratiebeleid is opmerkelijk. Ook daar ligt het hoofdaccent op deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt. Maar in het integratiebeleid staan zorg en opvoeding in het gezin óók in de schijnwerpers. Níet om emancipatiedoelen te dienen, maar om maatschappelijke problemen te voorkomen.

Terwijl in het emancipatiebeleid de zorg voor kinderen is ondergesneeuwd, zijn ouders – in de praktijk moeders -  in het integratiebeleid juist weer helemaal in. Veler ogen zijn daarbij gericht op allochtone vrouwen, niet vanwege hun mankerende emancipatie, maar omdat de opvoeding als risicofactor geldt.

Kortom, het emancipatiebeleid en het integratiebeleid zijn niet eenduidig. Ze nemen, ieder vanuit de eigen optiek en doelstellingen, eerder maatschappelijke belangen als uitgangspunt, dan het levensplan van vrouwen zelf.

Emancipatie en verhollandsing
Het risico is niet denkbeeldig, dat onder allochtonen de mening postvat dat het beleid op verhollandsing uit is. Dat is niet bevorderlijk voor de acceptatie ervan. Sterker nog, ervaren dwang tot assimilatie kan, nét als stigmatisering en islamofobie, de neiging oproepen eigen idealen en opvattingen te consolideren.

Uit onderzoek weten we bijvoorbeeld dat Marokkaanse en Turkse jongeren onder de genoemde omstandigheden sterker gaan hechten aan hun religieuze identiteit. Het geloof kan dan hun verdediging van de centrale positie van de vrouw in het gezin versterken. Zo bezien zou het beleid zelfs een averechts effect kunnen hebben!

Emancipatie afdwingen: het kan contraproductief werken. Daarom is het belangrijk minder met het vingertje te wijzen. Maar juist zoveel mogelijk aan te sluiten bij de behoeften die vrouwen zelf hebben, bij hun eigen mogelijkheden en bij de beweging die al gaande is. Respect voor de grote waarde die wordt gehecht aan moederschap en persoonlijke zorg is daarbij een voorwaarde.

In die zin is de nieuwe doelstelling in het Beleidsplan gericht op maatschappelijke participatie een goede zaak. Vrijwillige arbeid van vrouwen is in sommige kringen acceptabeler dan betaalde, en kan de opstap betekenen op weg naar meer zelfstandigheid.

Vertrouwde kinderopvang en mannenemancipatie
Het moederschapsideaal is springlevend, evenals de sterke voorkeur voor persoonlijk zorg in het gezin. Vrouwen die maatschappelijk actief willen zijn kunnen in een spagaat raken door contradicties in rollen en verwachtingen. De relatief hoge WAO-instroom onder Marokkaanse en Turkse vrouwen bijvoorbeeld vindt mede zijn oorzaak in de conflicten die ontstaan met hun partner als zij na het krijgen van kinderen (willen) blijven werken. De dubbele belasting van vrouwen vanwege de combinatie van werk met zorg vormt uiteraard eveneens een factor van belang.
Mannenemancipatie en een betere verdeling van de zorg over vrouwen en mannen vormen hier de hoofdoplossingen.

  • Gezien de behoefte aan persoonlijke zorg is een toegankelijk en als veilig en vertrouwd ervaren aanbod aan kinderopvang van groot belang.
    Uitbreiding van kinderopvangplaatsen is één ding, de kwaliteit ervan verdient óók veel meer aandacht. Belangrijk element daarin moet responsiviteit jegens de ouders zijn. Allochtone werkende ouders vertrouwen hun kinderen nóg vaker dan autochtonen toe aan familieleden. Kinderopvang door familieleden zou veel structureler kunnen worden ondersteund vanuit het beleid. Ook moeten mogelijke verbanden tussen formele en informele opvang beter worden doordacht.

  • Daarnaast verdient de mannenemancipatie een forse stimulans.
    Het Beleidsplan komt niet veel verder dan de oprichting van een ‘P-team’ van mannen uit etnische minderheidsgroepen:.zij moeten emancipatoire ideeën uitdragen in hun achterban. Prachtig, maar niet genoeg. Mannen zouden meer aangesproken moeten worden op hun zorgverantwoordelijkheid. Daarbij kan worden aangesloten bij het (ook onder allochtonen groeiende) besef dat naast moeders ook en juist vaders meer persoonlijk in hun kinderen moeten investeren.

Nederland heeft kansen én verleidingen in petto, die nopen tot een sterkere controle en begeleiding van kinderen, en een hechtere samenwerking tussen beide ouders.

Wordt het niet eens tijd voor een verplicht maximum aan de werkweek van vaders?