maandag 15 september 2014 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 Vrouw en werk
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  EMANCIPATIE ALGEMEEN  >  INTRO EMANCIPATIE  >  VROUW EN WERK 
INTRO EMANCIPATIE

BETAALD WERK VOOR VROUWEN: VAN UITZONDERING TOT REGEL

In de betaalde arbeid zijn er nog steeds grote verschillen tussen mannen en vrouwen. Hoe komt dat toch? Waarom verdienen vrouwen gemiddeld nog steeds aanzienlijk minder dan mannen, zeker als je kijkt naar het ‘levensduurinkomen’? Waarom blijft het percentage vrouwen in topfuncties zo hardnekkig laag, nog geen 10%? Wat moet er veranderen om al die verschillen weg te nemen?
Prof. dr. Joop Schippers schetst oorzaken, achtergronden en knelpunten. Biedt een levensloopbenadering een kansrijk perspectief om een aantal knelpunten op te lossen?

    1. Schoolverlaters van nu gaan massaal de arbeidsmarkt op   
    2. Jaren vijftig: de man werkt, de vrouw zorgt 
    3. Scheuren in een mannenbolwerk 
    4. Opleiding als drijvende kracht 
    5. In drie golven naar de arbeidsmarkt 
    6. Jaren tachtig: ‘onstuitbare opkomst’
    7. Het blijft behelpen – zeker voor vrouwen met kinderen – 
    8. Onbetaalde arbeid: ongelijk verdeeld 
    9. Recht op werk versus moederschapsideologie 
    10. Deeltijdwerk en het glazen plafond 
    11. Veelkleurige arbeidspatronen 
    12. Werkende vrouwen: van uitzondering tot regel 
    13. Vragen toekomst: Wat is regel? Wat is uitzondering? Levensloopdenken 

Om verder te lezen
Om verder te surfen
Om verder te zoeken

1. Schoolverlaters van nu gaan massaal de arbeidsmarkt op 
Vraag leerlingen in hun laatste jaar van het MBO: wat ga je naar je examen doen? Ongetwijfeld volgt een bonte verzameling aan antwoorden. Sommigen gaan naar het HBO. Een enkeling gaat een grote reis maken. En de meesten willen een baan, of hebben daar zelfs al uitzicht op. Het zal de opmerkzame waarnemer opvallen dat de antwoorden van jongens en die van meis­jes niet wezenlijk verschillen. ‘Huisvrouw worden' staat anno 2003 niet op de lijst van gegeven antwoorden.
Meisjes en jongens, jonge vrouwen en jonge mannen gaan na hun oplei­ding massaal de arbeids­markt op. 95% van de jongens en meisjes die in 1978 zijn geboren zijn in 2003 actief op de arbeids­markt. Dat was in 1960 wel anders! Die hoge arbeidsdeelname van 95% op jongere leeftijd handhaaft zich niet als mensen ouder worden. Gedurende de levensloop ontstaan bovendien allerlei verschillen tussen vrouwen en mannen. Voordat we daarop ingaan staan we echter eerst stil bij het enorme verschil tussen de situatie in de jaren vijftig en zestig en de situatie anno 2003. 


2. Jaren vijftig: de man werkt, de vrouw zorgt 
Rond het midden van de 20e eeuw – de jaren vijftig - is Nederland in hoge mate een kostwinnerssamenleving. Uitgangspunt is dat gehuwde vrouwen, en zeker moeders, geen betaald werk buitenshuis hoeven te verrichten: zij moeten zich geheel aan hun huiselijke en opvoed­kundige taken kunnen wijden. Wel worden enkele formele barrieres voor vrouwen opgeruimd Zo wordt in 1956 de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen opgeheven: zij heb­ben nu geen toestem­ming van hun man meer nodig om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Ook komt in 1957 een einde aan het verbod voor gehuw­de vrouwen om als ambtenaar werk­zaam te zijn.
Maar de lonen en het belasting- en (sociale) verzekeringsstelsel zijn sterker dan ooit gebaseerd op het kost­winnersdenken. De man verdient het gezinsinkomen, en heeft vol recht op loon en sociale zekerheid bij werkloosheid en ouderdom. Zijn vrouw neemt de zorg­ta­ken voor haar rekening. Haar sociale zekerheid (bij werkloosheid, bij ouderdom) is gebon­den aan haar huwelijk. Voor vrouwen is het huwelijk dus haar levensverzekering: eenmaal getrouwd, altijd financieel ver­zorgd. Maar ook altijd financieel afhankelijk.
Rond 1960 zijn werkende volwassen vrou­wen dan ook een uit­zondering. Je vindt ze nog wel in de verpleging, of in het (basis)­onder­wijs. Maar het gaat dan vooral om ongehuwde vrou­wen. Ze doen verzorgend en opvoedend werk: dat past bij ‘de aard van de vrouw’. De meeste meisjes volgen slechts een korte opleiding, en werken- totdat ze trou­wen – vaak op kantoor, in de winkel en ook in de fa­briek. De ‘Verkade-meisjes’ – die in de toenmalige koekfabriek Verkade aan de lopende band staan – zijn een begrip, symbool voor de korte, vrolijke en soms ook wilde tijd tussen school en de zorgzame afhankelijkheid die hen met hun hu­we­lijk te wach­ten staat. Trouwen betekent voor vrijwel alle vrouwen het einde van de betaal­de arbeid. En de meeste meisjes trouwen ook, meer dan 90%. Ze trouwen in de tijd boven­dien jong: de gemiddelde huwelijks­leeftijd is in 1970 zelfs 23 jaar. 


3. Scheuren in een mannenbolwerk 

Toch ontstaan er rond 1960 barstjes in het mannenbolwerk van de betaalde arbeid. Met de snel groeiende welvaart ontstaan tekorten op de arbeidsmarkt, bv. in het onderwijs, en later ook in de industrie. Het aantal vrouwen dat een middelbare-schoolopleiding of zelfs een uni­versitaire studie volgt neemt toe – mede dankzij invoering van de studiefinanciering -.
Er ontwikkelt zich een kleine voorhoede van goed opgeleide, ambitieuze vrouwen die ondanks huwelijk en kinderen toch een plek op de arbeidsmarkt willen hebben. Dat gaat echter niet vanzelf. Onder de titel ‘Mijn kinderen hebben er niets van gemerkt’ beschrijft Marjolein Morée hoe­zeer die kleine voorhoede moest passen en meten: het betaalde werk buitenshuis mocht immers niet interfereren met de taken en verantwoordelijkheden als moeder en echtge­note.
Want de idee dat de eigenlijke taak van vrouwen thuis ligt, ligt in die tijd niet alleen vast in wetten en regels, maar zit bij de meeste mannen en vrouwen ook stevig ‘tussen de oren’. Als er echt moet worden gekozen tussen werk en thuis, dan is de regel voor vrouwen: ‘het gezin gaat vóór’. Dat verwacht niet alleen je man, maar ook je ouders, je schoonouders, je vrien­den en vriendinnen, je buren en ook de dominee of de pastoor. De meeste vrouwen van die tijd vinden eigenlijk ook zelf dat dat zo hoort.
De gang naar de arbeidsmarkt betekent voor vrouwen dan ook een worsteling. En brengt ook het nodige schuldgevoel mee: ‘hebben mijn man en kinderen er niet onder te lijden omdat ik doe wat ik zelf wil?’. Die worsteling is in veel opzichten bepalend voor de ontwikkelingen in het arbeids­markt­gedrag van vrouwen gedurende de rest van de 20e eeuw. 


4. Opleiding als drijvende kracht 

In de loop van de jaren zestig – met de omvangrijke babyboom-generatie - neemt het aantal vrouwen dat een hogere opleiding volgt snel toe. De kleine voorhoede van vrouwen die na hun opleiding willen werken, ook als ze man of kinderen hebben, krijgt steeds meer navolg­sters. Steeds meer jonge vrouwen vinden alleen het huishouden doen in een doorzonwoning in een geisoleerde nieuwbouwwijk – de ‘groene weduwe’- een te magere en eenzijdige levensvervulling. De wereld van het betaalde werk buitenshuis is weliswaar af en toe ruig, maar je kunt er wel je eigen talenten ontplooien, financieel onafhan­kelijk worden, sociale contacten opdoen en invloed uitoefenen.
Buitenshuis werken wordt in de jaren zeventig dan ook een politieke kwestie. Vrouwenbeweging en vrouwengroepen in vakbonden eisen een gelijk recht op voor vrouwen om betaalde arbeid te verrichten, en toegang te krijgen tot een domein dat tot dan toe bijna exclusief was voorbehouden aan man­nen. Ze wijzen op de enorme achter­stand van vrouwen in opleiding en scholing. Ze gaan met de slogan ‘Marie wordt wijzer’ aan de slag met moeder­­mavo’s en VOS-cursussen (‘Vrouwen orienteren zich op de samenleving’). Ook de volwassen vrouwen van 30+ en 40+ krijgen daarmee kansen om hun opleidingsachterstanden uit het verleden in te halen, betere kwalificaties en kansen te krijgen voor betaalde arbeid.


5. In drie golven naar de arbeidsmarkt

De toestroom van vrouwen naar de arbeidsmarkt verloopt min of meer in drie tranches. Als eersten bevolken jonge, (nog) niet gehuwde vrouwen de arbeidsmarkt – in winkels, op kantoor, in de fabriek. Gedurende de gehele 20e eeuw zijn zij eigenlijk niet van de arbeidsmarkt weggeweest.
In de loop van de jaren zestig groeit de behoefte aan arbeidskrachten zo snel dat werk­gevers steeds vaker een beroep doen op vrouwen om ook ná hun huwelijk nog een tijdje te blijven werken. De cesuur tussen wel en niet betaald werk verrichten, verschuift in die periode van het moment van huwelijkssluiting naar het moment dat het moederschap zich aandient. Een moment dat vrouwen dankzij de ‘pil’ nu ook zelf kunnen bepalen.
Met wat ‘ups’ en ‘downs’ groeit in de jaren zeventig het aantal gehuwde werkende vrouwen zónder kinderen. Die ontwikkeling sluit aan bij de toegenomen behoefte aan individuele zelfstandigheid en ontplooiing.
Een steun in de rug daarbij is, dat Nederland door de Europese Unie wordt verplicht wetgeving te maken die vrouwen en mannen gelijke toegang tot en behandeling in de betaalde arbeid garandeert. De discussies daarover laaien hoog op. De regering is (te) traag met die wetgeving en de uitvoeringstermijn (1979) wordt overschreden. Ook is er veel verzet tegen die wetgeving: het kan toch niet zo zijn dat een mannelijke kostwinner bij een lager aantal dienstjaren eerder moet worden ontslagen dan een gehuwde vrouw wiens man al een inkomen heeft?! Toch is dat precies wat de Europese Unie voorschrijft. 


6. Onstuitbare opkomst
 
De ontwikkelingen gaan nu zo snel dat Hartog en Theeuwes in 1983 al spreken van de ‘on­stuit­bare opkomst van de werkende gehuwde vrouw’ in Nederland. Steeds vaker is die wer­ken­de gehuwde vrouw ook een herintredende vrouw en/of een in deeltijd werkende vrouw. Haar kinderen zijn het huis uit of in elk geval zo zelfstandig dat zij niet meer voltijds met zorg en opvoeding bezig hoeft te zijn. Haar inkomen, hoe gering ook, is bovendien een welko­me aanvulling op het gezinsinkomen: de werkloosheid neemt snel toe, en de koopkracht neemt af.
Overigens: het zou nog tot 1986 duren voordat gehuwde vrouwen dezelfde rechten op sociale zekerheid kregen als mannen (werkloosheidsuitkeringen, recht op AOW). Van aanvullend pensioenopbouw zijn gehuwde vrouwen in de jaren tachtig vaak nog uitgesloten. Ook de belas­ting­druk op haar (2e) inkomen is relatief hoog. Dat steeds meer gehuwde vrouwen deson­danks betaald gaan werken toont wel aan dat hun eigen motivatie groot is.
Tabel 1 geeft een overzicht van de snelle groei van de arbeidsparticipatie van vrou­wen en de inhaalslag die zij ten opzichte van mannen hebben gemaakt. 

Tabel 1: Bruto participatiegraad (in personen), bevolking 15 – 64 jaar, 1971 – 1997  

Jaar mannen vrouwen totaal
1971 84,5 % 29,4 % 57,4 %
1980 76,1 % 31,8 % 53,8 %
1990 74,6 % 43,6 % 59,3 %
1997 77,4 % 51,8 % 64,7 %

Bron: SCP (1998), p. 222 (bewerkt). 


7. Het blijft behelpen – zeker voor vrouwen met kinderen
 
Eenmaal op de arbeidsmarkt is het voor vrouwen bepaald geen rozengeur en maneschijn. Werkgevers en mannelijke collega’s moeten in veel gevallen nog erg aan vrouwen wennen. De beloning van vrouwen is aanzienlijk lager dan die van mannen: gemiddeld verdienen zij 25% loon per uur minder, ondanks de Wet gelijk loon uit 1975 die ongelijke beloning voor vrouwen en mannen verbiedt. Vrouwen blijven veelal aangewezen op een beperkt scala van beroepen en (lagere) functies. Carrièremogelijkheden ontbreken in veel gevallen nog. De omgang tussen vrouwen en mannen op de werkvloer verloopt ook niet altijd even soepel. Er is sprake van verschillende vormen van discriminatie en van een verschijnsel dat al snel met de (nieuwe) term ‘seksuele intimidatie’ wordt aangeduid.
Toch zijn er doorzetters die – vaak mede dankzij een goede opleiding – een stevige positie verwerven op de arbeidsmarkt. Juist die voorhoede stelt als eerste het automatisme ter dis­cussie dat je bij de geboorte van je eerste kind zou moeten stoppen met betaald werk. Natuurlijk, je krijgt die kinderen niet voor niets, je kunt ontzet­tend van je kinderen genieten. Maar moet je daar alles wat je op de arbeidsmarkt hebt opge­bouwd voor opgeven? Vaders doen dat toch ook niet? Trouwens, zouden die vaders niet wat meer tijd aan zorg en opvoeding moeten geven? En waar blijven goede voorzieningen, zoals die ook in andere landen bestaan, om werk en zorg te combineren?
De strijd om ouderschaps­verlof en kinderopvang brandt midden jaren tachtig dan ook fors los. In 1989 treedt de wet op het ouderschapsverlof (onbetaald) in werking – dankzij eisen en termijnen van de Europese Unie. In datzelfde jaar stelt de regering eindelijk geld te beschikking voor kinderopvang. Met het opbouwen van een minimaal systeem van kinderopvang – voorlopig alleen kinderen van 0 – 4 jaar – moet dan nog worden begónnen.
Het zijn dit veranderend klimaat en het beschikbaar komen van voorzieningen die zorgen dat vanaf begin jaren negentig de traditie dat vrouwen met kinderen eigenlijk niet behoren te werken definitief kantelt. Aanvankelijk zijn het nog vooral de hoog opgeleide moeders die op een of andere manier proberen hun betaalde loopbaan en het moederschap te combineren.. Rond de eeuwwisseling wordt dit ook het overheersende gedragspatroon voor moeders met een mid­del­bare opleiding. Laag opgeleide vrouwen echter stoppen meestal met betaald werk bij de geboorte van het eerste kind (zie tabel 2).

 
Tabel 2: Participatie van vrouwen naar jaar, opleidingsniveau en de aanwezigheid van kinderen in het huishouden

Geen kinderen thuis

Wel kinderen thuis

Opleidingsniveau 

laag

middel

hoog

laag

middel

hoog

1985

53% 71% 76% 24% 28% 37%

1988

49% 69% 73% 25% 36% 51%

1990

46% 74% 74% 29% 40% 55%
1994 45% 72% 76% 37% 54% 71%
1998 46% 76% 77% 49% 65% 79%

Bron: Eigen berekening op basis van OSA panel 



8. Onbetaalde arbeid: ongelijk verdeeld 
De doorbraak van vrouwen naar de arbeidsmarkt heeft nauwelijks consequenties gehad voor de verdeling van zorgtaken. Het Sociaal en Cultureel Planbureau berekende in 1995 dat over een periode van tien jaar mannen marginaal meer tijd aan zorg zijn gaan besteden. Vrouwen nemen nog steeds het overgrote deel van de feitelijke zorgtaken voor hun rekening. Ze zijn bovendien doorgaans (eind)verantwoordelijk: zij zijn het die moeten regelen dat de kinderen, zieke ouders of andere zorgafhankelijken de zorg krijgen die zij nodig hebben.
Mannen die zorgen zijn bovendien geneigd 'de krenten uit de (zorg)pap te pikken': wél met de kinderen naar bibliotheek of kinderboerderij, maar niet de plee schrobben of de modder van de kinderlaarsjes afkrabben. Dat is overigens niet alleen een kwestie van kwade wil van mannen. Ook de traditie doet zich hier gelden. 'Mannen zijn mannen, vrouwen zijn moeder', zo vatte de toenmalige Emancipatieraad de doorwerking van de traditionele moederschapsideologie samen. Die ideologie erodeert maar langzaam. Ze speelt ook anno 2002 nog een grote rol (Esveldt e.a, 2002).
     

9. Recht op werk versus moederschapsideologie
Het is ook die ideologie die bepalend is voor de nog steeds bestaande worsteling tussen betaald werk buitenshuis en onbetaald zorgen thuis. Om die twee taken zo goed moge­lijk met elkaar te verzoenen, hebben vrouwen met zorgtaken – moeders dus, maar tot op zekere hoogte ook gehuwde vrouwen zonder kinderen - massaal gekozen voor deeltijdwerk.
'Gekozen' mag tussen aanhalingstekens. Het is immers lang niet altijd duidelijk of de 'keuze' ook is wat de betreffende vrouw echt wil, of dat zij dat alleen als enige reële mogelijkheid ziet om arbeid en zorg met elkaar te combineren. Bijvoorbeeld omdat zij alleenstaand is en de dagelijkse zorg niet met een ander kan delen.Of vanwege gebrek aan adequate kinderopvang en verlofmogelijkheden. Of vanwege te geringe beschikbaarheid van partner of anderen om voor de noodzakelijke zorg op zich te nemen.kinderen. Engels- of Franstalige teksten gebruiken hier veelzeggend het begrip 'reconciliation: veel vrouwen zien een kortere werkweek daadwerkelijk als een noodzakelijk (zoen)offer.

  
10. Deeltijdwerk en het ‘glazen plafond’

In een wereld waarin vrijwel alle mannen een voltijdbaan hebben, is werken in deeltijd geen pré.
Toegegeven, deeltijdwerk is nergens ter wereld zo goed beschermd als in Nederland. Maar het is en blijft een serieus obstakel om carrière te maken op de arbeidsmarkt. Vrouwen ‘beginnen aan kinderen’ juist rond de leeftijd dat hun carrière duidelijk vorm moet krijgen. Zij gaan dan massaal in deeltijd werken. Nogal wat werkgevers zien echter een (wens tot) overstap naar een deeltijdbaan als uiting van een gebrek aan 'commitment', ook als het de vader is die vanwege zorg in deeltijd wil werken. Ze investeren niet meer in de carrière van zulk soort mensen. Weinig vrouwen stromen dan ook door naar de hogere echelons: zij stoten hun hoofd tegen het ‘glazen plafond’. Dat zien we in het bedrijfsleven, in het openbaar bestuur, en ook in de wetenschap.
In de top van Nederland zijn vrouwen dus zwaar ondervertegenwoordigd. Behalve met deeltijdwerk heeft dat ook te maken met de organisatiecultuur binnen veel organisaties. Vaak overheerst daar 'haantjesgedrag': een sterk competitieve sfeer en de behoefte elkaar de loef af te steken. Veel vrouwen (en trouwens ook flink wat mannen) voelen zich niet thuis in die cultuur en hebben weinig behoefte daaraan toe te treden - als ze al echt worden toeglaten. In de old boys-netwerken worden intussen wel de nodige zaken gedaan: afspraken gemaakt, informatie uitgewisseld, nieuwe talenten besproken. De combinatie van selectie en zelfselectie leidt er toe dat de cultuur in de top van veel organisaties en bijvoorbeeld ook in de politiek slechts moeizaam verandert.


11. Veelkleurige arbeidspatronen

Sinds de jaren zeventig is het aantal allochtone vrouwen in Nederland sterk toegenomen. Zij vertonen in de mate waarin zij aan de betaalde arbeid deelnemen een min of meer even grote variatie als autochtone vrouwen.
Sommige groepen, zoals Surinaamse en Antilliaanse vrouwen, vinden betaalde arbeid minstens zo vanzelfsprekend als (inmiddels) autochtone vrouwen. Toch hebben ze met extra knelpunten te maken. Zoals (rassen)discriminatie op de arbeidsmarkt, of een beperkte opleiding.
Andere allochtone groepen, zoals Turkse en Marokkaanse vrouwen, zijn nog nauwelijks te vinden in het betaalde werk. Zij hebben met dezelfde problemen te maken als Surinaamse en Antilliaanse vrouwen, maar dan wel in versterkte mate. Vooral de gebrekkige opleiding is een belangrijke factor, zeker voor vrouwelijke nieuwkomers. Daarnaast spelen ook culturele en religieuze factoren een rol, alsook taalbarrières.
Net als bij autochtone vrouwen is opleiding hier een drijvende kracht. Naarmate allochtone vrouwen een hogere opleiding hebben, blijken zij ook meer deel te gaan nemen aan de betaalde arbeid.


12. Werkende vrouwen: van uitzondering naar regel 

Per saldo is betaald werk voor vrouwen bij de start van de 21e eeuw precies het omgekeerde van de situatie in de jaren vijftig, namelijk eerder regel dan uitzon­dering. Dat geldt voor de jonge vrouwen met een MBO-opleiding uit de inleiding van dit hoofdstuk. Het geldt ook voor hoger en lager opgeleide vrouwen. Bijna alle vrouwen hebben een betaalde baan in de periode voorafgaand aan het moederschap, meestal een voltijd- of een grote deeltijdbaan. Steeds meer hoog- of middelbaar opgeleide vrouwen blijven ook na de geboorte van een kind betaald werken, zij het dan meestal voor een dag minder per week. Voor lager opgeleiden betekent de geboorte van een kind nog vaak het (tijdelijk) vertrek van de arbeidsmarkt. Als de kinderen ouder zijn en geen constante aandacht meer nodig hebben, kunnen vrouwen betaald werk weer een grotere plaats in hun leven geven.
Hier past uitdrukkelijk het woord ‘kunnen’. De mate waarin zij dat ook daadwerkelijk doen is namelijk van veel factoren afhankelijk. Sommige vrouwen hechten aan de kortere werkweek die ze hadden en willen niet anders. Als dat niet kan, beginnen ze liever als zelfstandig onderneemster, zonder baas en met meer vrijheid om hun arbeidsuren zelf vast te stellen. Andere vrouwen, vooral de lager opgeleiden, hebben na lange tijd bijna geheel van de arbeidsmarkt te zijn geweest een grote afstand opgebouwd, net als langdurig werklozen. Ze hebben extra toeleidingstrajecten nodig om het gebrek aan scholing en arbeidservaring in te halen. Om weer te wennen aan discipline en werkverhoudingen binnen een arbeidsorganisatie. Dergelijke trajecten zijn echter grotendeels voorbehouden aan mensen met een uitkering – en die hebben ze nu net niet.
Op dit moment is er dan ook een grote ‘stille’ arbeidsreserve onder vrouwen ouder dan 40 jaar. Net als oudere werklozen en arbeidsgehandicapten zijn hun kansen op werk gering. Werkgevers zijn niet erg happig om mensen ouder dan 40 jaar zonder recente werkervaring in dienst te nemen.De nood moet wel heel hoog gestegen zijn, zoals in de zorg en in het onderwijs, voor ze daaraan beginnen.


13. Vragen voor de toekomst: wat is regel? wat is uitzondering?

Sommige knelpunten blijken zeer hardnekkig. Gelijk loon bijvoorbeeld, en doorstroom- en carrièrekansen (het ‘glazen plafond’). En ook kinderopvang en ouderschapsverlof. Nederland begon in vergelijking met andere landen pas laat, begin jaren negentig, met de opbouw van deze voorzieningen, terwijl de vraag sindsdien explosief is gestegen. Daardoor blijven de tekorten hoog, en hollen we nog steeds achter de feitelijk vraag aan.
Vrouwen en mannen vertonen in hun arbeidspatronen mede daardoor nog steeds zeer veel verschillen. Maar, opmerkelijk genoeg, groeien ze in hun wensen en behoeften voor de toekomst meer naar elkaar toe. De trend is – en daar komen die wensen van vrouwen en mannen samen – dat mensen meer individuele vrijheid willen om zelf, afhankelijk van hun eigen situatie, te kiezen welke combinatie van arbeid, zorg, scholing en vrije tijd zij op welk moment van hun leven prefereren. En ook meer individuele ruimte willen om arbeid, zorg, inkomensverwervng en vrije tijd meer over het leven te  spreiden. Mensen worden vandaag de dag gemiddeld zo’n 80 jaar, en leven dus bijna 20 jaar langer dan 100 jaar geleden. Ze blijven bovendien ook langer gezond.
De vraag voor de toekomst is dan ook: wat willen we eigenlijk als regel? en wat als uitzondering?
De recente levensloopbenadering wil juist op die vraag een antwoord geven. Kern van deze benadering is, dat mensen niet meer door wet- en regelgeving, door de maatschappelijke praktijk van ‘jong carrière maken’, gedwongen moeten worden om één vast, voor ieder geldend arbeidspatroon te volgen. De idee is, dat zij juist vrijheid krijgen om hun eigen, individuele combinaties te kiezen en hun eigen accenten te bepalen. Carrière maken moet ook kunnen als je uit de kinderen bent en dus al wat ouder? Voor wat langere perioden van vrije tijd moet je toch niet hoeven te wachten tot je 65 jaar bent en met pensioen mag? En wie heeft gezien de huidige snelle veroudering van kennis en vaardigheden eigenlijk géén behoefte aan hernieuwde scholing, zeker als je al 20 jaar geleden je opleiding hebt afgerond?
Niet alleen individuele burgers, mannen en vrouwen, maar ook de Nederlandse economie lijkt gebaat bij een inrichting van de levensloop waarin mensen vaker momenten van rust en hernieuwde scholing inbouwen en – mede daardoor – beter en langer inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt. Er wordt dan ook in vakbonden en werkgeversorganisaties, in adviesorganen en speciale commissies en door wetenschappers driftig gewerkt aan  ideëen en voorstellen om het levensloopdenken beter in te passen in de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid.

 


Prof. dr J.J. (Joop) Schippers is hoogleraar Arbeids- en Emancipatie-economie aan de Universiteit Utrecht en programahoogleraar bij de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA).
Hij schreef talloze artikelen en rapporten over belonings- en loopbaanverschillen tussen mannen en vrouwen, over de wisselwerking tussen betaald werk en gezinsvorming en over de effecten van kinderopvang en verlof voor de mogelijkheid betaalde arbeid en zorgtaken te combineren.
Van 1993 - 1997 was hij lid van de (laatste) Emancipatieraad (adviesorgaan van de regering) en van 1998 – 2000 lid van TECENA. Hij was o.a. (mede)auteur van de achtergrondstudie ‘Arbeid, zorg en inkomen’ ten behoeve van de Meerjarennota Emancipatiebeleid (2000) en van de trendanalyse ‘Sociaal stelsel en werken’ ten behoeve van de Verkenning Levensloop 2002.
border=0


Om verder te lezen:



Om verder te surfen:


Om verder te zoeken: zoek op termen als:

  • Arbeidsparticipatie
  • Deeltijdarbeid 
  • Glazen Plafond 
  • Gelijke beloning 
  • Discriminatie 
  • Vrouwenarbeid 
  • Combinatie arbeid en zorg
  • Combinatiescenario
  • Levensloop

Prof. dr. Joop Schippers: Betaald werk voor vrouwen: van uitzondering tot regel. Website http://www.emancipatie.nl - rubriek Emancipatie algemeen - subrubriek Intro emancipatie. Tekst afgesloten november 2002.