maandag 14 oktober 2019 Home Zoek Contact Veel gestelde vragen Sitemap Print deze pagina  
 
 
 
Actueel
Nieuw op de site
Dossiers
Focus
Den Haag
Emancipatie algemeen
Varia
Servicepagina
Onze andere sites
 
 Abortuswetgeving
 
 Naar de vorige pagina
 
 
 >  DOSSIERS  >  DOSSIERS OP ALFABET  >  DOSSIERS A
 >  ABORTUS  >  ABORTUSWETGEVING 

Abortuswetgeving in Nederland

Onderstaande teksten (situatie per 16 juni 2001) zijn bedoeld als achtergrondinformatie bij berichtgeving over abortusaangelegenheden. De redactie van deze site staat niet in voor de volledigheid en actualiteit. Bij toepassing van de regelgeving dient men gebruik te maken van officiŽle teksten. Raadpleeg dan in elk geval de Wettenbank.





 

Abortus in het Wetboek van Strafrecht

Wetboek van Strafrecht
Titel XIXA. Afbreking van zwangerschap

[enig artikel:]

Artikel 296 Wetboek van Strafrecht

1. Hij die een vrouw een behandeling geeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor zwangerschap kan worden afgebroken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien het feit de dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd of geldboete van de vierde categorie.
3. Indien het feit is begaan zonder toestemming van de vrouw, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd of geldboete van de vijfde categorie.
4. Indien het feit is begaan zonder toestemming van de vrouw en tevens haar dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd of geldboete van de vijfde categorie.
5. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien de behandeling is verricht door een arts in een ziekenhuis of kliniek waarin zodanige behandeling volgens de Wet afbreking zwangerschap mag worden verricht.

Wet afbreking zwangerschap

Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap (Wet afbreking zwangerschap).

  • Onderstaande tekstversie is in werking sedert 17 februari 1999.
  • Zie voor de geschiedenis: Staatsblad 1993, 655; Staatsblad 1997, 510 en Staatsblad 1999, 30
  • Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
    Kamerstukken II 1978/79, 15475; 1979/80, 15475; 1980/81, 15475
    Handelingen II 1980/81, blz. 913-951; 1685-1699; 1701-1720; 1776-1796; 1912-1916; 2120-2141; 2175-2181; 2315-2319
    Kamerstukken I 1980/81, 15475 (59, 59a, 59b, 59c, 59d, 59e)
    Handelingen I 1980/81, blz. 783

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de ontwikkeling van de opvattingen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, wenselijk is, met het oog zowel op de rechtsbescherming van ongeboren menselijk leven als op het recht van de vrouw op hulp bij ongewenste zwangerschap , regelen daaromtrent te stellen, en in verband daarmee het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid en MilieuhygiŽne;
inspecteur: de bevoegde inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;
arts: degene die bevoegd is de titel van arts te voeren, alsmede, voor zover het betreft de arts, bedoeld in artikel 3, tweede lid, degene die in het land waar hij is gevestigd, het beroep van arts wettig uitoefent;
ziekenhuis: een inrichting waarin personen worden opgenomen voor het ondergaan van een genees-, heel- of verloskundig onderzoek of een genees-, heel- of verloskundige behandeling, met inbegrip van een daarvan onderdeel uitmakende polikliniek;
abortuskliniek - hierna te noemen kliniek - : een inrichting, niet zijnde een ziekenhuis, waarin vrouwen een behandeling ondergaan, gericht op het afbreken van zwangerschap.

2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder het afbreken van zwangerschap niet verstaan het toepassen van een middel ter voorkoming van de innesteling van een bevruchte eicel in de baarmoeder.

3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder geneesheer-directeur mede verstaan de arts die, hoewel geen directeursfunctie bekledende, belast is met de zorg voor de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in de inrichting.

Artikel 2

Een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, mag slechts worden verricht door een arts in een ziekenhuis of kliniek, waaraan door Onze Minister vergunning tot het verrichten van dergelijke behandelingen is verleend.

Artikel 3

1. Een zwangerschap wordt niet eerder afgebroken dan op de zesde dag nadat de vrouw de arts heeft bezocht en daarbij haar voornemen met hem heeft besproken.

2. Indien een arts bij wie de vrouw onder regelmatige medische behandeling staat, dan wel als medisch specialist of in de woonplaats van de vrouw als huisarts werkzaam is, haar, onder mededeling van zijn bevindingen, heeft verwezen naar een ziekenhuis of kliniek, als bedoeld in artikel 2, begint de termijn te lopen vanaf het tijdstip dat de vrouw die arts heeft bezocht
en daarbij haar voornemen met hem heeft besproken.

3. De arts deelt de vrouw zo spoedig mogelijk mede of hij de aan hem gevraagde medewerking zal verlenen. Geldt het een arts als bedoeld in het eerste lid, dan doet hij die mededeling in elk geval uiterlijk vijf dagen nadat zij zich tot hem heeft gewend, anders uiterlijk na drie dagen.

4. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt met een dag bekort indien de arts, bedoeld in het tweede lid, de vrouw drie dagen nadat zij zich tot hem had gewend, heeft medegedeeld, dat hij haar niet zal verwijzen.

5. In het geval, dat de arts de vrouw niet verwijst, stelt hij haar onverwijld een gedateerde schriftelijke kennisgeving daaromtrent ter hand, welke in elk geval het tijdstip vermeldt, waarop de vrouw zich tot hem had gewend.

Artikel 4

1. De vergunning, bedoeld in artikel 2, wordt aangevraagd door het bestuur van het ziekenhuis of de kliniek. Bij de aanvraag dienen de bij algemene maatregel van bestuur verlangde gegevens te worden verstrekt. Indien hij dit nodig acht voor een verantwoorde beslissing op het verzoek om vergunning, kan Onze Minister nadere gegevens vragen.

2. Onze Minister beslist binnen zeven maanden na de ontvangst van de aanvraag.

3. Het ziekenhuis of de kliniek verkrijgt de vergunning indien aannnemelijk is gemaakt dat aan de in de artikelen 5, eerste lid, of 6 bedoelde eisen zal worden voldaan.

Artikel 5

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming, welke erop zijn gericht te verzekeren dat iedere beslissing tot het afbreken van zwangerschap met zorgvuldigheid
wordt genomen en alleen dan uitgevoerd, indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.

2. Deze eisen strekken er met name toe te verzekeren:
a. dat de vrouw die het voornemen heeft tot afbreking van zwangerschap en zich met een daartoe strekkend verzoek tot de arts heeft gewend, wordt bijgestaan, in het bijzonder door het verstrekken van verantwoorde voorlichting over andere oplossingen van haar noodsituatie dan het afbreken van de zwangerschap;
b. dat de arts, indien de vrouw van oordeel is dat haar noodsituatie niet op andere wijze kan worden beŽindigd, zich ervan vergewist dat de vrouw haar verzoek heeft gedaan en gehandhaafd in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren;
c. dat, onverminderd het bepaalde in artikel 20, de arts de behandeling slechts verricht indien deze op grond van zijn bevindingen verantwoord is te achten;
d. dat na afbreking van de zwangerschap een genoegzame nazorg voor de vrouw en de haren beschikbaar is, mede in de vorm van voorlichting over methoden ter voorkoming van ongewenste zwangerschap.

Artikel 6

1. De vergunning wordt ten aanzien van een kliniek overigens slechts verleend indien:
a. de kliniek wordt beheerd door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid welke geen winst nastreeft;
b. wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent bestuur en beheer van de kliniek, organisatie, werkwijze, personeel, huisvesting en uitrusting, opdat gewaarborgd is dat de behandeling voldoet aan de eisen die daaraan uit medisch en verpleegkundig oogpunt behoren te worden gesteld, alsmede omtrent de samenstelling van het bestuur;
c. de kliniek bij de behandeling van de afbreking van zwangerschappen volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels samenwerkt met een of meer ziekenhuizen;
d. de tariefstelling geschiedt door het Centraal Orgaan Ziekenhuistarieven of een ander, door Onze Minister aan te wijzen, orgaan;
e. de rechtspersoon, die de kliniek beheert, jaarlijks verslag doet van de gang van zaken op medisch en financieel gebied in het voorafgaande kalenderjaar en dat verslag algemeen verkrijgbaar stelt;
f. de rechtspersoon, die de kliniek beheert en geen openbaar lichaam is, krachtens de statuten de jaarrekening ter verkrijging van een verklaring daaromtrent door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek doet onderzoeken.

2. De vergunning heeft slechts mede betrekking op afbreking in een kliniek van zwangerschappen die langer dan dertien weken hebben geduurd, indien aan daartoe bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, te stellen nadere eisen van medische en verpleegkundige aard is voldaan.

Artikel 7

Onze Minister kan, al naar gelang de specifieke omstandigheden van een inrichting hiertoe nopen, aan een vergunning aanvullende voorschriften verbinden, onderscheidenlijk deze voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken. De voorschriften mogen slechts betrekking hebben op de onderwerpen waaromtrent en voor zover daarover bij of krachtens de artikelen 5 en 6 eisen zijn gesteld.

Artikel 8

Onze Minister kan een vergunning intrekken:
a. indien onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot het verlenen van de vergunning;
b. indien de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel de voorschriften verbonden aan de vergunning, zijn overtreden.

Artikel 9

1. Een krachtens de artikelen 5 tot en met 8 genomen besluit bepaalt het tijdstip waarop de verlening of intrekking van de vergunning, dan wel de wijziging, aanvulling of intrekking van de aan de vergunning te verbinden voorschriften, ingaat.

2. Van het verlenen of intrekken van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 10

1. Hangende het onderzoek naar feiten op grond waarvan volgens artikel 8 intrekking van een vergunning mogelijk is, kan Onze Minister bevelen, dat de behandelingen in de inrichting, gericht op afbreking van zwangerschap, onverwijld zullen worden gestaakt.

2. Het bevel blijft van kracht totdat omtrent de intrekking van de vergunning is beschikt, onderscheidenlijk tot het tijdstip waarop de intrekking ingaat, behoudens eerdere opheffing van het bevel door Onze Minister.

3. Het bevel, alsmede de opheffing van het bevel, wordt schriftelijk gegeven. Artikel 9, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

1. Elke arts die behandelingen, gericht op afbreking van zwangerschap, verricht, doet ten minste eens per maand aan de geneesheer-directeur van de inrichting de volgende gegevens toekomen:
a. het aantal behandelingen, gericht op afbreking van zwangerschap, dat hij in dat tijdsverloop heeft verricht, en de eventueel daarbij opgetreden bijzonderheden;
b. de duur van de zwangerschap, het aantal voorafgegane zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen, de leeftijd, de provincie - dan wel, voor zover het buiten Nederland woonachtige vrouwen betreft, het land - van woonplaats, de burgerlijke staat en het aantal kinderen van elk van de behandelde vrouwen;
c. de datum waarop hij met de vrouw haar voornemen heeft besproken, alsmede, indien de vrouw door een arts als bedoeld in artikel 3, tweede lid, verwezen is, het in dat lid bedoelde tijdstip en de medische hoedanigheid waarin hij de vrouw hulp heeft geboden, de vraag of, en zo ja in welke gevallen, overleg is gepleegd met andere deskundigen, en welke de aard van de deskundigheid van de geraadpleegde was, de datum van de ingreep, met dien verstande dat, indien het zich in artikel 16, tweede lid, bedoelde geval heeft voorgedaan, tevens de bijzondere redenen daarvoor worden opgegeven, en de nazorg die na de afbreking van de zwangerschap aan de vrouw is verleend.

2. De geneesheer-directeur van de inrichting ziet erop toe dat alle in de inrichting werkzame artsen hem de in het eerste lid bedoelde gegevens volledig en tijdig doen toekomen in zodanige vorm dat zij niet tot individuele patiŽnten herleidbaar zijn. Hij draagt er zorg voor, dat deze gegevens ten minste vijf jaar worden bewaard.

3. De geneesheer-directeur doet eens per drie maanden aan de inspecteur opgave toekomen van de totalen, die aan de in de vorige leden bedoelde gegevens kunnen worden ontleend.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de tijdstippen en wijze waarop de in de vorige leden van dit artikel bedoelde gegevens moeten worden verstrekt. Bij deze opgaven wordt de anonimiteit van de behandelde vrouwen gewaarborgd.

5. De verkregen gegevens mogen uitsluitend worden gebruikt:
a. voor statistische doeleinden en
b. ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

6. De in het eerste lid bedoelde arts draagt er tevens zorg voor, dat vůůr of zo spoedig mogelijk na de behandeling aantekening wordt gemaakt van de bevindingen die ertoe hebben geleid de behandeling te geven. Hij is verplicht deze aantekeningen gedurende ten minste vijf jaar te bewaren en de daarin vervatte gegevens, mits niet herleidbaar tot individuele patiŽnten, desverzocht ter beschikking te stellen van de inspecteur.

Artikel 12

De geneesheer-directeur van de inrichting draagt zorg dat de inspecteur op zijn verzoek inzage wordt verschaft van de in artikel 11, tweede lid, bedoelde gegevens en dat hem alle gevraagde inlichtingen, mits niet herleidbaar tot individuele patiŽnten, worden verstrekt die hij redelijkerwijs voor de uitoefening van zijn taak met betrekking tot deze wet behoeft.

Artikel 13

1. Een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, onder b, c en 11, vierde lid, wordt vastgesteld op voordracht van Onze Minister.

2. Hij treedt niet in werking dan nadat drie maanden sedert de datum van afkondiging zijn verstreken. Van de datum van afkondiging wordt door Onze Minister mededeling gedaan aan de Staten-Generaal onder overlegging van de over het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur uitgebrachte adviezen.

Artikel 14 [vervallen]

Artikel 14a

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.

2. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15

De arts die een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, verricht in een kliniek, tenzij het betreft een kliniek ten aanzien waarvan aan artikel 6, tweede lid, is voldaan terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat de zwangerschap langer dan dertien weken heeft geduurd, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden.

Artikel 16

1. De arts die een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, verricht op een eerder tijdstip dan in artikel 3 voorgeschreven, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden.

2. Het feit is niet strafbaar indien de arts de behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, op een eerder tijdstip heeft verricht om daarmede een dreigend gevaar voor het leven of de gezondheid van de vrouw af te wenden.

3. Met dezelfde straf wordt gestraft de arts die op een later tijdstip dan in artikel 3 voorgeschreven aan de vrouw mededeling doet of hij de aan hem gevraagde medewerking zal verlenen.

Artikel 17

Het ziekenhuis of de kliniek waar behandelingen, gericht op het afbreken van zwangerschap, worden verricht in strijd met artikel 2 dan wel met het in artikel 10, eerste lid, bedoelde bevel, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste honderdduizend gulden.

Artikel 18

1. De arts die nalaat te voldoen aan het bepaalde in artikel 11, eerste of zesde lid, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden.

2. De geneesheer-directeur die nalaat te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 11, tweede en d, erde lid, en 12 wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste vijfentwintigduizend gulden.

Artikel 19

1. De in de artikelen 15, 16, eerste en derde lid, 17 en 18 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

2. Met de opsporing van de in het vorige lid bedoelde strafbare feiten zijn, behalve de ambtenaren bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de geneeskundige hoofdinspecteur en inspecteurs van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, alsmede de aan dezen toegevoegde ambtenaren.

Artikel 20

1. Niemand is verplicht een vrouw een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, te geven, dan wel daaraan medewerking te verlenen.

2. Indien de arts gemoedsbezwaren koestert tegen het verrichten of doen verrichten van de behandeling, stelt hij de vrouw onverwijld nadat zij zich tot hem heeft gewend, daarvan in kennis.

3. Het eerste lid ontheft een arts niet van de verplichting om desgevraagd en indien de vrouw daartoe toestemming heeft verleend inlichtingen omtrent de toestand van de vrouw te geven aan andere artsen.

Artikel II, III en IV
(Bevatten wijzigingen in andere regelgeving)

Artikel V

1. Een ziekenhuis of kliniek wordt geacht aan het bepaalde in artikel 2 te voldoen, indien
1į. Het bestuur van het ziekenhuis of de kliniek binnen dertig dagen na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2 een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, en
2į. zolang op de aanvraag om vergunning nog niet is beslist, dan wel, indien de vergunning wordt verleend, zolang het tijdstip waarop de vergunning ingaat nog niet is aangebroken.

2. Indien het een kliniek betreft, blijft het eerste lid van dit artikel buiten toepassing, indien de kliniek op het tijdstip van indiening van het ontwerp van deze wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal minder dan ťťn jaar onafgebroken heeft bestaan.

Artikel VI

1. Deze wet kan worden aangehaald als Wet afbreking zwangerschap.

2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan kan verschillen.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriŽle departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Lage Vuursche, 1 mei 1981

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid en MilieuhygiŽne,
L. Ginjaar

De Minister van Justitie,
J. de Ruiter

Uitgegeven de eenentwintigste mei 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter

Besluit afbreking zwangerschap

Besluit van 17 mei 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet afbreking zwangerschap (Besluit afbreking zwangerschap)

  • Deze tekstversie geldt vanaf 19 juni 1998
  • Zie voor de geschiedenis: Staatsblad 1998, 340

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 3 augustus 1983, nr. 184458, DG/Vgz/GBO/MBO;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, onder b en c, 11, vierde lid, en 13 van de Wet afbreking zwangerschap (Stb. 1981, 257);

Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, van de Gezondheidsraad en van de Emancipatieraad;

De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1983, nr.
W13.83.0417/33.3.51);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 14 mei 1984, DG Vgz/GBO/MBO, nr. 70 034;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ß 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
wet: de Wet afbreking zwangerschap (Stb. 1981, 257);
behandeling: een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap.

ß 2. Algemene voorschriften met betrekking tot het afbreken van zwangerschappen

Artikel 2

1. Het ziekenhuis dat behandelingen verricht en de abortuskliniek dragen ervoor zorg dat medewerking van deskundigen op psychologisch en maatschappelijk gebied in voldoende mate beschikbaar is.

2. Aan deze deskundigen wordt voldoende tijd en ruimte in het ziekenhuis of de kliniek ter beschikking gesteld.

Artikel 3

1. Het ziekenhuis en de kliniek dragen ervoor zorg dat de arts ťťn of meer gesprekken met de vrouw voert om te komen tot een zorgvuldige besluitvorming overeenkomstig artikel 5 van de wet.

2. Aan de arts wordt voldoende tijd en ruimte in het ziekenhuis of de kliniek ter beschikking gesteld.

3. Het ziekenhuis en de kliniek dragen ervoor zorg dat de arts maatregelen neemt ter verzekering van de geheimhouding van gegevens met betrekking tot het afbreken van zwangerschappen.

Artikel 4

Door het bestuur van het ziekenhuis en de kliniek worden, na overleg met de artsen die behandelingen verrichten en de deskundigen, bedoeld in artikel 2, regels gesteld omtrent hun onderlinge samenwerking en omtrent het toezicht van de geneesheer-directeur op de juiste uitvoering daarvan.

Artikel 5

Het ziekenhuis en de kliniek dragen ervoor zorg dat er voldoende gelegenheid is voor verantwoorde voorlichting aan de vrouw over de voorkoming van ongewenste zwangerschap.

Artikel 6

Het ziekenhuis en de kliniek dragen ervoor zorg dat, indien de vrouw uitdrukkelijk daarin toestemt, aan haar huisarts of de andere arts die haar overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de wet heeft verwezen, een verslag
betreffende haar behandeling wordt gezonden, zonodig vergezeld van een advies over de haar te verlenen nazorg.

Artikel 7

1. Het ziekenhuis en de kliniek dragen ervoor zorg dat aan de vrouw het advies wordt gegeven zich na de behandeling onder controle van haar huisarts of van de arts die haar overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de wet heeft verwezen, te stellen.

2. Indien de vrouw geen huisarts heeft en niet door een andere arts is verwezen, of indien zij ernstige bezwaren ertegen heeft om zich onder controle van haar huisarts of van de arts die haar heeft verwezen, te
stellen, wordt zij in de gelegenheid gesteld, die controle in het ziekenhuis of de kliniek te doen verrichten.

Artikel 8

Het ziekenhuis en de kliniek dragen zorg voor zodanige afspraken met daarvoor in aanmerking komende andere instellingen of personen werkzaam op het terrein van de gezondheids- en welzijnszorg, dat een goede nazorg voor de vrouw en de haren kan worden verwezenlijkt.

ß 3. Voorschriften met betrekking tot klinieken

Artikel 9

Bestuursleden van de rechtspersoon die de abortuskliniek beheert, mogen geen financieel belang hebben bij de oprichting of de exploitatie van de kliniek. Tussen de afzonderlijke leden van het bestuur enerzijds en de leden van de directie of andere aan de kliniek verbonden medewerkers anderzijds dient geen arbeidsverhouding te bestaan.

Artikel 10

1. Het bestuur draagt de dagelijkse leiding van de kliniek op aan een directie; voorzover het de medische aspecten van de werkzaamheden betreft: aan een geneesheer-directeur.

2. Het bestuur verstrekt de directie een schriftelijke instructie, gericht op het functioneren van de kliniek overeenkomstig de doelstelling en overeenkomstig het in de wet en dit besluit bepaalde. Deze instructie dient onder meer richtlijnen te bevatten voor de zorg voor de patiŽnten, het personeelsbeleid, de administratie, met inbegrip van de medische administratie, de verslaglegging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 11

1. De personele voorzieningen dienen zowel kwantitatief als kwalitatief afgestemd te zijn op het goed functioneren van de kliniek overeenkomstig de doelstelling.

2. De communicatie tussen de directie en de medewerkers van de kliniek dient door geformaliseerde besprekingen verzekerd te zijn.

Artikel 12

De kliniek draagt ervoor zorg dat een vrouw die in de kliniek een behandeling heeft ondergaan, zich te allen tijde voor een spoedeisende nabehandeling kan wenden tot een arts.

Artikel 13

De administratie dient op dusdanige wijze te zijn ingericht dat te allen tijde een inzicht kan worden verkregen in het functioneren van de kliniek.

Artikel 14

De materiŽle voorzieningen dienen zowel kwantitatief als kwalitatief afgestemd te zijn op het goed functioneren van de kliniek overeenkomstig de doelstelling.

Artikel 15

De kliniek draagt ervoor zorg dat met betrekking tot iedere behandeling in de kliniek een overzichtelijk verslag wordt gemaakt, dat alle gegevens bevat, die van belang zijn voor een goede hulpverlening.

Artikel 16

1. De kliniek draagt ervoor zorg dat de medische en verpleegkundige hulpverlening aan de vrouw gewaarborgd is voor de duur van haar verblijf in de kliniek.

2. De kliniek draagt ervoor zorg dat de persoonlijke levenssfeer van de vrouw zoveel mogelijk wordt geŽerbiedigd.

3. De kliniek draagt ervoor zorg dat de vrouw als mondig wordt benaderd.

4. De kliniek draagt ervoor zorg dat een regeling voor een onafhankelijke klachtenbemiddeling tot stand komt.

Artikel 17

De kliniek treft maatregelen met betrekking tot:
- het voorkomen, opsporen en bestrijden van infecties;
- de algemene hygiŽne, door het opstellen van regelen en voorschriften;
- een deugdelijke sterilisatie en bewaking van het sterilisatieproces.

Artikel 18

1. Tussen het bestuur van de kliniek en het bestuur van een ziekenhuis in de omgeving van de kliniek, dient een samenwerkingsovereenkomst te zijn gesloten.

2. De overeenkomst strekt in ieder geval tot het verlenen van hulp vanwege het ziekenhuis aan en ten behoeve van patiŽnten van de kliniek, op verzoek van de arts die in de kliniek een behandeling verricht. Die hulp omvat in ieder geval diagnostische en therapeutische consultatie van aan het ziekenhuis verbonden medische specialisten.

3. De overeenkomst wordt ter kennis gebracht van de inspecteur.

Artikel 19

1. De kliniek dient te voldoen aan de algemeen geldende wettelijke regelingen en voorschriften onder meer ten aanzien van het gebouw, de arbeidsomstandigheden en de geneesmiddelenvoorziening.

2. De kliniek treft de nodige maatregelen met betrekking tot de brandveiligheid.

Artikel 20

De kliniek draagt ervoor zorg dat de instelling zelf, het personeel en de overige voor de kliniek werkzame personen op passende wijze verzekerd zijn tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.

ß 4. Bijzondere voorschriften met betrekking tot klinieken waar zwangerschappen worden afgebroken die langer dan dertien weken hebben geduurd

Artikel 21

Met betrekking tot een kliniek waar behandelin, gen worden verricht, gericht op, het afbreken van zwangerschappen die langer dan dertien weken hebben geduurd, moet tevens worden voldaan aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 22

Tijdens een behandeling als bedoeld in artikel 21 dienen ten minste twee artsen in de kliniek aanwezig te zijn.

Artikel 23

Zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat een vrouw die in de kliniek een behandeling heeft ondergaan, te allen tijde een daarmee samenhangende nabehandeling in de kliniek kan ondergaan.

Artikel 24

Een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 dient in ieder geval te worden gesloten met een ziekenhuis waar eveneens behandelingen als bedoeld in artikel 21 worden verricht.

ß 5. Gegevens, te verstrekken bij het aanvragen van een vergunning

Artikel 25

1. Het ziekenhuis of de kliniek verstrekt bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de wet de gegevens waaruit blijkt dat aan de in de artikelen 2, eerste lid, en 8 gestelde voorschriften wordt voldaan.

2. De kliniek verstrekt naast de in het eerste lid bedoelde gegevens tevens de volgende gegevens:

a. een omschrijving van de aard van de rechtspersoon;
b. een exemplaar van de statuten, indien de rechtspersoon geen openbaar lichaam is;
c. de samenstelling van het bestuur;
d. het adres van de kliniek met een beschrijving van de voor behandelingen beschikbare ruimten;
e. een exemplaar van de overeenkomstig artikel 18 gesloten samenwerkingsovereenkomst of samenwerkingsovereenkomsten.

ß 6. Gegevens met betrekking tot het afbreken van zwangerschappen

Artikel 26

1. De arts bedoeld in artikel 11 van de wet doet de in het eerste lid van dat artikel bedoelde gegevens aan de geneesheer-directeur toekomen binnen een maand na het verstrijken van de kalendermaand waarop ze betrekking hebben.

2. Hij vermeldt die gegevens op een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.

Artikel 27

1. De geneesheer-directeur doet de in artikel 11, derde lid, van de wet bedoelde opgave aan de inspecteur toekomen binnen drie maanden na het verstrijken van het kalenderkwartaal waarop zij betrekking heeft.

2. Hij doet die opgave op een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.

Artikel 28

1. De arts, bedoeld in artikel 11, zesde lid, en in artikel 18, eerste lid, van de wet, draagt ervoor zorg dat vůůr of zo spoedig mogelijk na de behandeling aantekening wordt gemaakt van de bevindingen, op grond waarvan de behandeling overeenkomstig artikel 5, eerste lid en tweede lid onder c, van de wet verantwoord is te achten.

2. Aan de hand van de gegevens, vervat in de aantekeningen, dient de inspecteur zich een oordeel te kunnen vormen of de arts overeenkomstig artikel 5 van de wet handelt.

ß 7. Slotbepalingen

Artikel 29

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit afbreking zwangerschap.

Artikel 30

De Wet afbreking zwangerschap en dit besluit treden in werking met ingang van 1 november 1984.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 17 mei 1984

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L. C. Brinkman

Uitgegeven de vijfentwintigste mei 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes


Bovenstaande teksten (situatie per 16 juni 2001) zijn bedoeld als achtergrondinformatie bij berichtgeving over abortusaangelegenheden. De redactie van deze site staat niet in voor de volledigheid en actualiteit. Bij toepassing van de regelgeving dient men gebruik te maken van officiŽle teksten. Raadpleeg dan in elk geval de Wettenbank.